Tekst Ida Stroosnijder
Foto Hans Roggen

Roger van Boxtel en Nico van Putten over vier jaar grotestedenbeleid

‘Zullen we weer beginnen, Nico?’ Zodra Roger van Boxtel Nico van Putten de hand heeft geschud, is hij terug in de flow van het grotestedenbeleid. De vragen die de interviewer heeft voorbereid, zijn nauwelijks nodig. De oud-minister en de inmiddels gepensioneerde beleidsmedewerker schetsen na vijftien jaar nog moeiteloos een beeld hoe zij samen met de steden werkten aan meer fysieke en sociale leefbaarheid, en meer werk. ‘We waren een Gideonsbende.’

Rubriek 'Andere tijden'

Hoe zag het openbaar bestuur er in 1950 uit? Wat is de ontstaansgeschiedenis van DigiD en wat kunnen we leren van de ervaringen met het Grotestedenbeleid uit de jaren ’90? In de nieuwe rubriek ‘Andere Tijden’ van het online magazine ‘Blik op BZK’ kijken we terug op belangrijke thema’s op het terrein van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Nico van der Putten
Nico van der Putten
Roger van Boxtel
Roger van Boxtel

‘Toen ik net minister was, maakte Albert Heijn bekend dat ze hun vestiging in de Bijlmer gingen sluiten vanwege overvallen en andere criminaliteit. Meteen heb ik de toenmalige baas van Ahold gebeld, Cees van der Hoeven, en hem gezegd dat dit het slechtste was wat die wijk kon overkomen. Hij verwees me naar Dick Boer, die toen net directeur bij Albert Heijn was geworden. Met hem heb ik afgesproken dat, als wij ons uiterste best zouden doen met extra politie-inzet, hij zou kijken of hij daar toch met zijn vestiging kon blijven. En dat is gebeurd. Dat was ook een deel van mijn rol als minister: zien wat nodig is en daarop actie ondernemen.’

Het interview vindt plaats tijdens een diner aan de overkant van het NS-hoofdkantoor. Op weg daar naartoe lopen we langs de bouwput waarmee Utrecht haar station en omgeving weer leefbaar wil maken. Andere steden, zoals Den Haag en Amsterdam, gingen Utrecht daarin voor. Van Boxtel: ‘Dat was het mooie van het grotestedenbeleid. Ik kan nog steeds de fysieke resultaten zien van wat we toen in gang hebben gezet. Ben je onlangs nog aan de achterkant van Amsterdam CS geweest? Prachtig toch, hoe daar een nieuwe opening naar het IJ is gemaakt?’

'Door deel uit te maken van het team voor het grotestedenbeleid, hebben we allemaal een karakterontwikkeling doorgemaakt'

Weinig abstractie

Hij heeft zijn tijd als minister voor grotestedenbeleid ‘geweldig’ gevonden. ‘Ik zag direct resultaten. Er was weinig abstractie in mijn werk. Ik had de mogelijkheid om letterlijk met alle lagen van de samenleving in contact te komen. Bovendien werkte ik met mensen die een positieve grondhouding hadden van “we gaan er wat moois van maken”.’ Een van die medewerkers was Nico van Putten. Hij vertelt dat een aantal GSB-ambtenaren uit die tijd, van zowel de rijksoverheid als van de steden,  elkaar nog steeds zien. Nico: ‘We zijn makkers voor het leven geworden. Door deel uit te maken van het team voor het grotestedenbeleid, hebben we allemaal een karakterontwikkeling doorgemaakt. Velen van ons zijn mede daardoor tot verdere bloei gekomen.’

Gevraagd naar het geheim van de inspiratie en de energie die Van Boxtel en Van Putten beschrijven, is een aantal factoren te noemen: het intersectorale karakter van het GSB, de klik tussen personen en de niet-hiërarchische samenwerking tussen rijksoverheid en steden. Bovendien was er veel geoormerkt geld beschikbaar. Die les had Van Boxtel geleerd van Jacob Kohnstamm, zijn voorganger (staatssecretaris) bij het GSB. Kohnstamm haddat budget niet en moest daarom voortdurend aankloppen bij collega-bewindslieden. Daarom had Van Boxtel als motto ‘geen geld, geen Zwitsers’.

De geïnterviewden en het grotestedenbeleid

Roger van Boxtel, nu president-directeur van NS, was minister voor grotestedenbeleid (GSB) van 3 augustus 1998 tot 16 april 2002, in het kabinet-Kok II. Nico van Putten heeft sinds de start van het GSB, in 1994, twaalf en half jaar aan het GSB gewerkt op het departement van BZK. Van zijn hand is het door BZK gepubliceerde boek ‘Terug naar de stad; een kleine geschiedenis van het grotestedenbeleid’.

Het eerste voorteken van het GSB is een brandbrief door de vier grote steden aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën over hun penibele financiële situatie. Na deze noodkreet uit 1965 volgen programma’s en projecten als probleemcumulatiegebieden, stadsvernieuwing en sociale vernieuwing. In 1994 treedt de eerste bewindspersoon aan voor GSB: Jacob Kohnstamm, die begint met convenanten. Het aantal deelnemende steden begint met 25. Ook wordt, in 1997, een visitatiecommissie in het leven geroepen, onder leiding van oud-minister Elco Brinkman. Na de val van het kabinet-Kok II, in 2002, breekt de derde periode van het GSB aan, die tot 2011 heeft geduurd

'Ik had een jaar kunnen wachten, maar ik houd er niet zo van om op m’n handen te zitten'

Hij kijkt terug op hoe zijn ministerschap tot stand is gekomen en welke piketpaaltjes hij direct heeft geslagen: ‘Aanvankelijk was ik kandidaat voor het fractievoorzitterschap van de Tweede Kamerfractie, maar ik verloor met één stem verschil van Thom de Graaf. Daarna ging ik voor een ministerschap. In de zomer van 1998 was de hele formatie rond, behalve de verdeling van de posten. Tijdens mijn héél korte vakantie hoorde ik dat ik grotesteden- en integratiebeleid had gekregen, als minister zonder portefeuille. Toen heb ik tegen Thom gezegd: “Ik kan dat alleen accepteren als ik een eigen begroting krijg. Bovendien wil ik vastgelegd hebben dat de vakministers niet aan mijn geld mogen komen”.’ De voorwaarden die Van Boxtel stelde, werden vervolgens vastgesteld in het constituerend beraad, de ‘oprichtingsvergadering’ van het nieuwe kabinet. Met de ‘drie tot vier miljard’ die hij tot zijn beschikking kreeg, ging hij voortvarend aan de slag. ‘Het kabinet was er in augustus, toen de begroting al langs grote lijnen vastlag. Maar, daar trok ik me niet zoveel van aan. Ik heb toen in korte tijd begrotingsstukken herschreven, waar natuurlijk niet iedereen even blij mee was. Ik houd nu eenmaal van onorthodox werken.’ Ook gingen de bestaande convenanten met de steden op de schop, ook al zouden ze een jaar daarna toch al aan vernieuwing toe zijn: het werden ‘doorstartconvenanten’. Van Boxtel: ‘Ik had een jaar kunnen wachten, maar ik houd er niet zo van om op m’n handen te zitten.’

Drie pijlers

Het GSB zette in op drie pijlers: het verbeteren van de sociale, de fysieke en de economische infrastructuur. Met de deelnemende steden (4 grote, 21 middelgrote, plus 5 die deels meededen) werden convenanten gesloten met ‘outcomedoelstellingen’, gericht op concrete maatschappelijke resultaten op de genoemde drie pijlers. De steden moesten minimaal tien jaar vooruit kijken en met  controleerbare doelen komen. Van Boxtel: ‘We selecteerden streng op de hoofdlijnen van de programma’s. Ik herinner me dat een paar steden, ik meen Utrecht en Leiden, hun huiswerk over moesten doen.’ Na anderhalf jaar ‘knetterhard werken’ waren alle convenanten klaar. In een feestelijke sessie in sociëteit De Witte aan Het Plein in Den Haag, werden alle convenanten getekend, waarbij ook premier Wim Kok aanwezig was. Van Boxtel: ‘Toen ik daarna naar buiten liep, begon ik meteen op te noemen wat er nog allemaal moest gebeuren. Toen tikte Leon van Halder, destijds directeur-generaal bij Binnenlandse Zaken, mij op de schouder: “Roger, haal eens rustig adem. De mensen hebben zich kapot gewerkt om dit te bereiken. Je moet er nu ook even van genieten”.’ Samen met zijn ambtenaren heeft hij Van Halders advies opgevolgd. ‘Successen werden gevierd met taart en bier.’

'Als Rein aan het woord kwam, was het of je weer college kreeg'

Van Boxtel wist zich omringd door een groep medewerkers uit verscheidene departementen, die met dezelfde energie als de minister zelf, aan de slag waren. Het bijzondere was, dat nu eens niet vanuit Den Haag werd bepaald wat de steden, moesten doen en laten met het beschikbare budget. Het was een gezamenlijk traject, met zo min mogelijk hiërarchie. Dit was nieuw en het was wennen, voor beide kanten. Van Boxtel: ‘Bij de G4 was men wat terughoudender, zo van “eerst zien dan geloven”, maar bij de G21 was er van begin af aan enthousiasme.’ Wat ook hielp, was dat er bij de G21 een paar ‘bestuurlijke oude rotten’ burgemeester waren, bij wie Van Boxtel af en toe te rade kon gaan. Een van hen was wijlen Rein Welschen, toen burgemeester van Eindhoven. ‘Ik kon hem altijd bellen voor advies.’ Nico van Putten was secretaris van het bestuurlijk GSB-overleg: ‘Als Rein aan het woord kwam, was het of je weer college kreeg.’ Andere markante namen waren Jan Franssen, burgemeester van Zwolle, James van Lidt de Jeude (Deventer) en Jan Mans (Enschede).    

Koningin Beatrix bekijkt samen met minister van Boxtel een beeldscherm op de ArenA academie in Amsterdam Zuid- Oost. De academie is een tweejarige praktijkgerichte vervolgopleiding, die allochtone jongeren meer kans biedt op de arbeidsmarkt. ANP Foto - Raymond Rutting

De resultaten

En dan nu de resultaten: wat heeft het GSB opgeleverd? Van Boxtel noemt de ontwikkelingen die hem het meest zijn bijgebleven. ‘De buurten waren aan zet, direct, zonder een laag ertussen. Het was het begin van de wijkgerichte aanpak, die inmiddels heel gewoon is. Wel werd er nogal eens geschamperd dat ik me gedroeg als een wijkwethouder. We gingen immers twee keer per jaar alle steden langs en keken dan bijvoorbeeld letterlijk binnen bij buurthuizen. Op zo’n werkbezoek aan Zwolle gingen we op de fiets een wijk in die te boek stond als probleemwijk. Op het eerste gezicht vond ik het nogal meevallen. Maar toen ik het buurthuis uit kwam, was mijn fiets gejat. Achterop bij de wethouder ben ik naar het stadhuis teruggegaan.’

'De buurten waren aan zet, direct, zonder een laag ertussen. Het was het begin van de wijkgerichte aanpak, die inmiddels heel gewoon is'

Ook zochten Van Boxtel en zijn team contact met VNO-NCW om de werkloosheid onder allochtonen aan te pakken, die veel hoger was dan die onder autochtonen. ‘Bij een congres van VNO-NCW stond ik samen met staatssecretaris Vermeend op het podium. We spraken met ondernemers in de zaal af om er gezamenlijk voor te zorgen dat de werkloosheid bij allochtonen eindelijk eens fors zou dalen. En dat is gelukt, al bleef deze daling achter bij de nog forsere daling bij de autochtonen.’

Tegelijkertijd onderkenden Van Boxtel en de steden de noodzaak van inburgering door nieuwkomers. Ze liepen daar echter aan tegen het feit dat de asielprocedure en de inburgering niet gelijk op gingen. Van Boxtel had Canada als voorbeeld, waar elke nieuwkomer onmiddellijk na binnenkomst wordt ondergedompeld in een programma van scholing, werk en huisvesting. In Nederland was dat niet te realiseren. Zo komen ook wat zaken ter sprake die niet zijn gelukt in het GSB, zoals een duurzame revitalisering van probleemwijken. Van Boxtel: ‘Daar hadden we te maken met een waterbedeffect. Hadden we de leefbaarheid in de ene wijk verbeterd, bleken de problemen zich te hebben verplaatst naar een andere wijk. Bovendien was er eind jaren negentig een enorme influx van vluchtelingen, uit de Balkan, uit Afrika, uit Sri Lanka. Die werden gehuisvest in goedkope woningen en integreerden onvoldoende.’ En toen kwamen 9/11, de opkomst van Fortuyn, de polarisatie in de samenleving. ‘De upswing in de steden verdween, en vooral na de eerste terroristische aanslagen was het maatschappelijk sentiment gekeerd.’

Maar, Van Boxtel en Van Putten sluiten het gesprek zeker niet somber af, integendeel. Van Boxtel: ‘Er is nu een Agenda Stad. Ik sluit niet uit dat in de nabije toekomst het GSB nieuw leven wordt ingeblazen.’