Tekst Robbert-Jan Gorgels
Foto Hans Roggen

Voormalig vakbondsman en GroenLinks-leider Paul Rosenmöller is sinds 2013 voorzitter van de VO-Raad (vereniging van scholen in het voortgezet onderwijs). In die functie werkt hij intensief samen met het directoraat-generaal Overheidsorganisatie van het ministerie van BZK. Hij pleit voor een andere inrichting van het werkgeverschap. "Het politieke belang wint het bijna altijd van het  werkgeversbelang."

Het grote publiek kent u als vakbondsman en politicus. Hoe bevalt het u aan werkgeverszijde?

“Goede vraag, haha. Ik zeg er dan altijd bij ‘werkgever in de publieke sector’. Dat voelt voor mij toch makkelijker. Voor die sector klopt mijn hart het snelst. Ik heb tegenwoordig inderdaad een werkgeversrol, omdat we rechtstreeks met vakbonden de cao afsluiten. Tot een jaar of tien geleden deed het Rijk dat. Na een heel proces van decentralisatie en meer autonomie voor scholen zijn die scholen via de brancheorganisaties cao-partij geworden. Voor een deel is dat wennen.”

Waar moet u vooral aan wennen?

“Ik sprak gisteren een groep leden, schoolleiders en bestuurders. Zij vinden dat onze cao nogal dichtgeregeld is. Al die regels ademen wantrouwen. Zo ongeveer tot op het uur wordt bepaald waar een docent zijn tijd aan besteedt. Echte autonomie voor scholen en leraren zou betekenen dat je flink moeten kappen in dat woud aan regels. Zonder natuurlijk de rechtspositie van leraren aan te tasten.”

Wat vindt u van de inrichting van het overheidsbrede arbeidsvoorwaardenoverleg?

“Het zit nogal ingewikkeld in elkaar. Over de werkgeversinzet voor de pensioenonderhandelingen sprak BZK namens het kabinet bijvoorbeeld met veertien werkgeverskoepels. Zoals die van het onderwijs, de politie, het Rijk en de decentrale overheden. Allemaal sectoren met hun eigen systematiek. Het Rijk is bovendien niet alleen werkgever, maar wordt ook politiek aangestuurd, door het kabinet. Die twee rollen zijn moeilijk uit elkaar te houden. Uiteindelijk wint het politieke belang het bijna altijd van het werkgeversbelang. Ook omdat het om groot geld gaat. Daar zit spanning in, want de politiek stuurt op de relatief korte termijn. Een kabinet zit er maar vier jaar. Een werkgever moet ook aan de lange termijn denken. Dat thema heb ik afgelopen jaar intensief met directeur-generaal Simone Roos besproken.”

Waar botsen die twee rollen?

“Bijvoorbeeld bij het vraagstuk rond de stijgende pensioenpremie, die alle loonruimte voor ambtenaren dreigde ‘op te eten’. Ik denk dat we dat heel goed opgelost gedaan hebben, daarin heeft Simone een geweldige rol gespeeld. Het was een ingewikkeld spel tussen publieke werkgevers, de vakcentrales, het ABP-bestuur en het kabinet. Het kabinet kwam uiteindelijk vlak voor kerst over de brug en zegde toe om de pensioenpremiestijging te compenseren. Dat ging om 330 miljoen euro. Iedereen zag wel: in maart zijn er verkiezingen. Als het kabinet niet over de brug komt, gaan leraren  en ambtenaren per 1 januari 2017 netto minder verdienen omdat de ABP-premie stijgt…
Politici willen niet naar de stembus op 15 maart met koopkrachtverlies voor al die mensen. Daar konden we nu van profiteren. Maar dit is een goed voorbeeld van hoe die twee rollen conflicteren.”

‘We missen een VNO-NCW voor de publieke sector’

U zou de werkgeversrol anders organiseren?

“Ja. Het georganiseerde publieke werkgeverschap bestaat eigenlijk niet. De afstemming vindt nu plaats in een ‘bestuurlijke regiegroep’. Dat werkt op zich goed, maar het is een informele club. De publieke sector mist een orgaan waarin de werkgeversbelangen goed zijn ondergebracht, een VNO-NCW voor de publieke sector. Terwijl er wel overal overleg plaatsvindt. Een voorbeeld: in de Stichting van de Arbeid, waar wij als publieke werkgevers niet vertegenwoordigd zijn, worden afspraken gemaakt voor zoveel duizend arbeidsplaatsen voor mensen met een beperking. Wij krijgen in het onderwijs onze portie toebedeeld. Op zich een goed doel, maar ons personeelsbestand bestaat voor 80 tot 90 procent uit leraren. Dat levert dus vragen op in de uitvoering. Aan de voorkant zitten we er niet bij en aan de achterkant krijgen we een probleem. Zo leiden bovensectorale afspraken tot problemen. Ook voor de gevolgen van de normalisering van de ambtenarenstatus, waardoor voor veel leraren ineens de Wet Werk en Zekerheid gaat gelden, heb je een stevige coördinatie nodig. Dit soort zaken vraagt om een werkgeversorganisatie in de publieke sector.”

Heeft u nog een advies voor BZK als werkgever?

“Wij hebben als VO-Raad de uitdaging om het imago en de aantrekkelijkheid van het vak van leraar te verbeteren. Mensen met twee masters moeten op een verjaardagsfeestje nog steeds uitleggen waarom ze ´slechts’ in het onderwijs werken. De maatschappelijke waardering haalt het niet bij de feitelijk geleverde prestaties. En in de discussie over de pensioenpremie gingen we ervan uit dat de maatschappij het niet zou accepteren als leraren netto minder zouden gaan verdienen. Daar werd toen bij gezegd dat ‘ze dat van ambtenaren misschien wel nog zouden accepteren’. Dat zegt wel veel over hoe de maatschappij naar ambtenaren kijkt. De vraag is of de publieke werkgevers niet wat offensiever moeten gaan staan voor hun medewerkers en de kwaliteit die zij leveren. Ambtenaren dienen - net als leraren – de publieke zaak met heel veel uren, passie, kennis en ervaring.”