Tekst Tobias Kwakkelstein

“Nederland heeft meer dan negenhonderd kilometer grens: heel veel mensen wonen en werken in het grensgebied. We leven midden in Europa, dus willen we goed samenwerken met de buurlanden, goede contacten onderhouden en kansen benutten.” Dat zegt staatssecretaris Knops over grensoverschrijdende samenwerking.

Naast knelpunten zijn er ook veel kansen. Het is zeker niet alleen een doemverhaal.

Wat zijn de belangrijkste knelpunten in de grensregio’s?

Dat verschilt per regio. Er zijn knelpunten op het gebied van sociale zekerheid, financiën, belastingen, wonen, infrastructuur, onderwijs en het erkennen van diploma’s. Er is van alles te doen. De aard en omvang van de knelpunten verschilt ook of je met Duitsland of België te maken hebt. Verschillen in regels aan beide kanten van de grens zullen natuurlijk altijd blijven bestaan. Gewoon doordat er op nationaal niveau voortdurend nieuwe wetgeving wordt gemaakt. Vaak zijn nationale belangen doorslaggevend en dat zijn niet noodzakelijkerwijs de zaken waar men in de grensregio blij mee is. Neem bijvoorbeeld de tolheffing in Duitsland. Dus moeten we bij het maken van nieuwe wetgeving knelpunten proberen te voorkomen. Niet teveel vanuit Den Haag, Berlijn of Brussel denken maar het belang van de grensregio’s nadrukkelijk en vroegtijdig meewegen. In het verleden heeft Den Haag de kansen en problemen van de grensregio niet genoeg aandacht gegeven. Die aandacht hebben we nu wel.

Naast knelpunten zijn er vooral ook veel kansen. Het begint met politiek bewustzijn: de erkenning dat het een vraagstuk is. Dat zit nu wel goed. Maar het is net zo belangrijk dat het lokale bestuur meedoet, omdat je counterparts hebt in Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen en Wallonië. Ik zie dat veel Commissarissen van de Koning en Nederlandse burgemeesters in grensgemeenten hun rol al pakken. Het is belangrijk dat ze een netwerk tot stand brengen om samen grensoverschrijdende ambities te kunnen realiseren.

grensoverschrijdende samenwerking

Wat gaan mensen in de praktijk van het beleid merken?

De mensen die er iets van gaan merken in hun dagelijkse leven zijn degenen die grensoverschrijdend werken, wonen of studeren. Dat zijn er behoorlijk wat.  

We moeten ervoor zorgen dat overal aan de grens toegankelijke grensinformatiepunten blijven bestaan. Er zijn veel scenario’s te bedenken waar mensen in ingewikkelde situaties verzeild raken die met verschillende wet- en regelgeving te maken hebben. Er kunnen omstandigheden zijn waar niet altijd standaardoplossingen voor zijn. Voor dit soort individuele kwesties kunnen burgers en bedrijven dus terecht bij een grensinformatiepunt.  

Laatst bezocht ik het grensinfopunt in Gronau/Enschede. Daar zitten mensen van de Sociale Verzekeringsbank, het Finanzambt, de Belastingdienst en het UWV bij elkaar om mensen te helpen, bijvoorbeeld bij het invullen van een belastingformulier. Mensen van die verschillende instanties kunnen met elkaar overleggen over een bepaalde casus, over hoe je het beste een formulier kunt invullen. De taal kan dan nog wel een probleem zijn. Duits spreken is één ding, maar een Duits formulier invullen is andere koek.

We zijn nu aan het kijken hoe de financiering van de grensinformatiepunten in de toekomst gaat plaatsvinden. Ze moeten de komende jaren gewoon verder kunnen, omdat er veel behoefte aan is en zal blijven.

Vergt dat ook extra investeringen of is het meer een kwestie van beter samenwerken?

Investeren in de zin van grote governance structuren optuigen, daar ben ik niet zo’n voorstander van. We moet wel open lijnen hebben, zodat we elkaar weten te vinden. Je moet je ervan bewustzijn zijn dat je moet samenwerken, bijvoorbeeld door elkaar te waarschuwen als er een probleem dreigt of een kans aankomt.

Als je grensoverschrijdend openbaar vervoer interessant wilt maken, dan zul je soms moeten investeren, bijvoorbeeld door lijnen door te trekken of systemen op elkaar aan te passen. Maar als het gaat om arbeid en sociale zekerheid leveren de grensinformatiepunten nu ook al geld op. Op het informatiepunt in Gronau worden mensen met een bijstandsuitkering in Nederland geholpen aan een baan in Duitsland. Daar zit dus een interessant businessmodel onder.

Mensen hebben zelf gedacht “wat is het probleem en hoe gaan we het oplossen?”

U heeft er al twee werkbezoeken aan grensregio’s op zitten. Er volgen er meer. Wat zijn uw ervaringen tot nu toe?

Wat ik heb gezien is dat er veel enthousiasme is en veel oplossend vermogen. Mooi is dat er ook initiatieven uit de regio zelf komen. Ik heb bijvoorbeeld in de Achterhoek een praktijkschool voor de detailhandel en de horeca bezocht die met behulp van de gemeente een methode heeft ontwikkeld om het vak Duits in het lesprogramma op te nemen. Het doel is om leerlingen basiskennis Duits bij te brengen. Het hoeft dan niet perfect te zijn, met precies de juiste naamvallen en alles. Maar het gaat erom dat je Duitse toeristen in hun eigen taal te woord kunt staan. Dat is heel belangrijk, want er komen steeds meer Duitsers op vakantie in Nederland.

Het is een aansprekend voorbeeld. Mensen hebben zelf gedacht “wat is het probleem en hoe gaan we het oplossen?”.  Als je het probleem kunt oplossen op een niveau dichtbij de mensen, dan is dat hartstikke mooi. Als ze er niet uitkomen, dan kun je het natuurlijk opschalen.

Er zijn ook zaken op het gebied van de infrastructuur die men in de regio zelf niet zo gemakkelijk kan oplossen. Een gemeente kan bijvoorbeeld niet zomaar een spoorlijn doortrekken. Of als je met de bus de grens over wilt naar Duitsland, dan zijn de buskaartjes uit Nederland niet geldig in Duitsland dus moet je daar een nieuw kaartje kopen. Het zou mooi zijn als dat handiger kan: of je een soort interface kunt bouwen waarbij mensen zo min mogelijk last van de grens hebben.

Veel van wat ik tot dusver in de grensregio tegenkwam, wist ik overigens al uit ervaring. Ik heb mij als Kamerlid ook beziggehouden met dit onderwerp en ik woon natuurlijk zelf in de grensregio.

Er zit veel kracht in de regio. Die moeten we aanboren.

Wat gaat u de komende tijd doen om grensoverschrijdende samenwerking te stimuleren?

Door te laten zien dat wij grensoverschrijdende samenwerking een belangrijk onderwerp vinden, door contacten aan te gaan met bestuurders aan beide kanten van de grens en door goede initiatieven te helpen hun weg in Den Haag te vinden. Door in mijn coördinerende rol bij andere departementen deuren te openen als dat nodig is, als mensen vastlopen in bureaucratie bijvoorbeeld. Ik heb dan ook het voornemen om een aantal van de werkbezoeken aan de grensregio samen met collega’s te doen, bijvoorbeeld met de collega’s verantwoordelijk voor sociale zaken, verkeer en waterstaat, onderwijs of zorg.

Ik heb vooral een makelaarsrol. Misschien dat er wat geld uit het fonds voor regionale ontwikkeling komt, maar dat is nu nog niet zeker. Het zijn toch vooral de lokale projecten zelf, die in zichzelf ook rendabel moeten zijn, doordat ze bijvoorbeeld meer omzet genereren, het toerisme bevorderen of de arbeidskosten omlaag brengen. De grenzen zijn er, maar ze moeten zo min mogelijk merkbaar zijn.

In mei ga ik de Tweede Kamer informeren over mijn plannen. Er is dan ook meer duidelijkheid over de fondsen. Als er geld voor grensoverschrijdende samenwerking wordt uitgetrokken zie ik dat vooral als geld om de lopende processen te faciliteren. Ik heb de regio’s uitgedaagd om met voorstellen te komen: voorbeelden van projecten die kunnen rekenen op draagvlak aan beide kanten van de grens. Afhankelijk van de middelen die beschikbaar zijn, ook in de regio zelf, zou je echt een aantal kansen kunnen pakken.

Het moet gaan om belangrijke projecten voor dingen die als het meest hinderlijk worden ervaren. Dat kunnen ze in de regio echt wel goed zelf bepalen, maar vaak vragen ze wel om assistentie op bepaalde dossiers. Dat kan gaan om wetgeving of het anders inzetten van budgetten door verschillende vakdepartementen.  

Ik wil ook graag de burger meer betrekken. Voor de burger is Europa heel groot: de kunst is dat we projecten bedenken die maken dat de mensen zien dat de andere kant van de grens iets te bieden heeft. Er zit veel kracht in de regio. Die moeten we aanboren.

De komende tijd gaat u naar Coevorden en naar Zeeuws-Vlaanderen. Wat gaat u daar doen?

Doel van de bezoeken is om kennis te maken met de mensen in de regio en met concrete voorbeelden van grensoverschrijdende samenwerking. In Coevorden ga ik onder meer praten over grensoverschrijdend ondernemerschap. In Vlaanderen staat onder andere grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit in de zorgsector centraal. De grensregio’s geven aan welke problemen en kansen er zijn en op basis daarvan maken we een programma. Er zijn veel mensen bij betrokken.

Tot slot: wat wilt u aan het einde van deze regeerperiode bereikt hebben?

Het belangrijkste is dat mensen in de grensregio het gevoel hebben dat er echt iets is verbeterd. Dat we daadwerkelijk mensen hebben geholpen bij het praktisch oplossen van bepaalde zaken. Het gaat dan onder meer om een goede informatievoorziening, samenwerken en om het benutten van kansen. Daar ga ik me de komende tijd in de regio én in Den Haag voor inzetten.