Hieronder worden kort een aantal sectoren, typen werknemers en leeftijdscategorieën beschreven met een verhoogd risico op een arbeidsongeval.

Sectoren

In absolute zin vonden de meeste arbeidsongevallen plaats in de hoofdsectoren industrie (635 = 26%), bouwnijverheid (470 = 19,1%), handel (324 = 13,2%) en vervoer en opslag (261 = 10,6%). Daarin is geen verschuiving ten opzichte van voorgaande jaren opgetreden. In de bouw worden al jaren de meeste dodelijke slachtoffers geregistreerd. In 2016 overleden 16 slachtoffers, in 2015 waren dat er 9, in 2014 20 en in 2013 25. Cijfers kunnen, soms mede door toeval, fors over de jaren fluctueren.

In relatieve zin telde het afvalbeheer [12] de meeste slachtoffers van arbeidsongevallen: 167 per 100.000 banen van werknemers. Op de tweede plaats stond de bouwnijverheid, met 158 slechtoffers per 100.000 banen van werknemers. Het figuur toont het verloop van het relatieve aantal slachtoffers in de top zes van risicosectoren voor arbeidsongevallen. De bouwsector, die sinds 2014 uit het dal van de economische crisis klimt, laat een grote relatieve stijging zien van het aantal slachtoffers. In het kader ‘De bouw nader bezien’ gaat de Inspectie verder in op de ontwikkelingen binnen de bouwsector.

Omdat het absolute aantal slachtoffers en banen van werknemers in de afvalsector en de sector landbouw, bosbouw en visserij kleiner is dan in de grotere risicosectoren, fluctueert het aantal slachtoffers per 100.000 banen van werknemers in deze sectoren nadrukkelijker door de jaren heen.

Figuur 3: Ontwikkeling van het aantal slachtoffers per 100.000 werknemers in de top zes risicosectoren [13].

Uit de Arbobalans 2016 blijkt dat de relatieve kans op een arbeidsongeval met verzuim het grootst is in de bouw (2,8%), gevolgd door de industrie (2,2%), horeca (2,2%) en vervoer en opslag (2,1%). Deze cijfers zijn gebaseerd op de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden, waarin werknemers ongevallen melden die tot minimaal één dag verzuim hebben geleid. De horeca staat met 13 slachtoffers van een arbeidsongeval per 100.000 banen van werknemers niet in de top zes risicosectoren, maar in deze sector is het relatieve aantal ongevallen wel het sterkst toegenomen ten opzichte van 2015 (8 slachtoffers per 100.000 banen van werknemers, tevens het gemiddelde over de periode 2010 tot en met 2015 in de horeca).

[12] Inclusief waterleidingbedrijven.
[13] Zelfstandigen die onder gezag werken, zijn werknemer in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet en worden in deze grafiek afgezet tegen het aantal banen van werknemers. Voor recente jaren zijn op sectorniveau nog geen gegevens beschikbaar over het aantal werkzame personen (beroepsbevolking) om te toetsen in hoeverre dit leidt tot vertekening van de trend. Gezien het gelijkblijvend aandeel van zelfstandigen in de slachtoffercijfers van de Inspectie (4%), bij een al jaren toenemend aandeel van zelfstandigen in de beroepsbevolking, is het echter niet aannemelijk dat dit verschil in teller en noemer (wezenlijk) bijdraagt aan de verklaring van de geschetste opgaande trend in de top zes risicosectoren. Zo’n 1 á 2% van de slachtoffers wordt jaarlijks als derde geregistreerd, ook zij worden meegenomen in deze cijfers.

Aard dienstverband en flexibilisering arbeidsmarkt

In 2003 had 73% van de werkzame beroepsbevolking een vaste arbeidsrelatie, dat wil zeggen een contract van onbepaalde tijd en een vast aantal uren [14]. Dat aandeel is in 2016 afgenomen tot ruim 61%. Tegelijkertijd is de werkzame beroepsbevolking tussen 2003 en 2016 toegenomen: van een kleine 7,8 miljoen tot 8,4 miljoen.

Dit betekent dat het aantal werknemers met een flexibele arbeidsrelatie (een tijdelijk contract en/of variabele uren) is toegenomen van ruim 1 miljoen in 2003 tot ruim 1,8 miljoen in 2016. Hun aandeel in de totale werkzame beroepsbevolking nam evenredig toe: van 14% in 2003 tot bijna 22% in 2016. Het aandeel zelfstandigen is in deze periode eveneens gegroeid: van bijna 12,8% in 2003 tot 16,7% in 2016. Ook het aandeel oproep-/invalkrachten en uitzendkrachten is gestegen: van 5,7% in 2003 naar 9,7% in 2016.

Evenals voorgaande jaren is zo’n 70% van de slachtoffers van onderzochte arbeidsongevallen werknemer (in tijdelijke of vaste dienst). Daarnaast is een relatief groot percentage van de slachtoffers (18%) als uitzendkracht geregistreerd. Het aandeel uitzendkrachten in de absolute slachtofferaantallen is geleidelijk gegroeid van 15,3% in 2012 naar 18,3% in 2016. Onderzoek van het RIVM [15] naar trends en ontwikkelingen in ernstige arbeidsongevallen, dat gebruik maakt van inspectiegegevens, laat zien dat uitzendkrachten bijna twee keer zo vaak slachtoffer zijn van dit soort ongevallen als vaste krachten. Dit is na correctie voor onjuiste registratie, leeftijd, sekse en herkomst. Uitzendkrachten zijn daarmee een kwetsbare groep. Volgens de Arbobalans 2016 van TNO is de kans op een arbeidsongeval met verzuim voor uitzendkrachten ongeveer 30% hoger dan voor vaste krachten. Wanneer wordt gecorrigeerd voor persoons- en werkkenmerken blijkt echter dat uitzendkrachten geen significant verhoogd risico hebben op een arbeidsongeval met verzuim. De verschillen in uitkomsten over uitzendkrachten tussen TNO en de Inspectie SZW worden veroorzaakt doordat verschillende typen ongevallen worden gemeten [16].

Het beeld is minder uitgesproken bij zelfstandigen. Zo blijkt uit de Arbobalans dat zelfstandigen in 2015 gemiddeld minder vaak (2,1%) een arbeidsongeval hebben gehad dan werknemers (3%). Het aandeel zelfstandigen in de ongevalscijfers van de Inspectie SZW is stabiel (4%). Het aandeel dodelijke ongevallen, dat de afgelopen drie jaar voor deze groep rond de 12% bedroeg, was lager in 2016: 6%.

De meldingsplicht voor ongevallen geldt alleen voor werknemers. Zelfstandigen die onder gezag werken, zijn werknemer in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet. Maar zelfstandigen die niet onder gezag werken, vallen niet onder de meldingsplicht van de Arbeidsomstandighedenwet. Dit kan verklaren dat ondanks de toename van het aantal zelfstandigen het aantal ongevalsonderzoeken waar zelfstandigen bij betrokken zijn, niet is toegenomen. Verder delen zelfstandigen niet altijd de mening van de Inspectie dat zij feitelijk onder gezag werken. Ook dit kan een reden zijn voor het stabiele aandeel.

Figuur 4: Slachtoffers van arbeidsongevallen naar arbeidsverband (door Inspectie SZW afgesloten ongevalsonderzoeken, 2016).

[14] De cijfers zijn ontleend aan CBS/Statline: ‘Werkzame beroepsbevolking; positie in de werkkring’. Zie ook Jonneke Bolhaar, Arne Brouwers & Bas Scheer (2016): ‘De flexibele schil van de Nederlandse arbeidsmarkt, een analyse op basis van microdata’, CPB achtergronddocument|17 november 2016.
[15] RIVM (2014): Ernstige arbeidsongevallen 1999-2011; trends en ontwikkelingen.
[16] De Arbobalans is onder andere gebaseerd op de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden NEA) 2016, waarin werknemers zelf rapporteren over ongevallen die tot minimaal één dag verzuim hebben geleid. De Inspectie onderzoekt alleen ongevallen die leiden tot de dood, ziekenhuisopname of blijvend letsel. Beide bronnen kennen dus een ander uitgangspunt. Zie ook voetnoot 5 voor het onderscheid tussen NEA en Inspectiegegevens.

Leeftijdscategorieën

Uit de inspectiegegevens blijkt dat de meeste slachtoffers van arbeidsongevallen per 100.000 arbeidsjaren vielen in de leeftijdscategorieën 15-24 jaar en 55 jaar en ouder (49 slachtoffers per 100.000 arbeidsjaren). Dit beeld is gelijk aan dat van voorgaande jaren en komt overeen met de uitkomsten van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden, zoals weergegeven in de Arbobalans 2016.

Figuur 5: Slachtoffers arbeidsongevallen per 100.000 werknemers naar leeftijd.

Het aantal dodelijke ongevallen per 100.000 arbeidsjaren [17] was het hoogst in de leeftijdscategorie 65 jaar en ouder: gemiddeld 1,8 dodelijke slachtoffers van arbeidsongevallen per 100.000 arbeidsjaren. In de andere leeftijdscategorieën was de ongevalfrequentie gelijk aan of minder dan 1,3 dodelijke slachtoffers per 100.000 arbeidsjaren. In de leeftijdscategorie 25-34 jaar vonden we de minste dodelijke arbeidsongevallen per 100.000 arbeidsjaren (0,4). Het arbeidsvolume (aantal fte) in de leeftijdscategorie 65 jaar en ouder is sinds 2009 nagenoeg verdubbeld. Dit zal ook de komende jaren verder groeien als gevolg van de hogere pensioen- en AOW-leeftijd. Door de vergrijzing van de beroepsbevolking zal het aandeel ouderen in de totale beroepsbevolking toenemen.

[17] De ongevalsfrequentie is berekend per 100.000 arbeidsjaren naar leeftijdscategorie voor alleen arbeidsongevallen met werknemers, uitzendkrachten en stagiairs.

Lossen van pallets

Het slachtoffer, een vrachtwagenchauffeur, hielp een heftruckchauffeur bij het lossen van houten pallets. Er was geen laadperron en de vrachtwagen beschikte niet over een eigen laadklep, maar over openslaande deuren. De vrachtwagen was bovendien dusdanig volgeladen dat de chauffeurs geen pompwagen konden gebruiken om de eerste drie rijen pallets te lossen.

De derde rij pallets kon alleen worden gelost door ze met een heftruck naar de rand van de trailer te slepen. Hierdoor kwam deze stapel iets schuin te staan, en raakten de pallets het dak van de trailer. Om dat te verhelpen en omvallen te voorkomen, ging het slachtoffer vanaf de lepels van de heftruck aan de stapel pallets hangen terwijl de heftruck de pallets naar de rand van de trailer sleepte. Door een draai van de heftruck viel het slachtoffer uit de trailer. Hij kreeg een aantal pallets over zich heen en overleed aan zijn verwondingen.

De werkwijze om aan de pallets te gaan hangen om omvallen te voorkomen, werd volgens een getuige ‘normaal’ gevonden. De Inspectie heeft een boete opgelegd omdat de werkgever geen (doeltreffende) maatregelen had genomen ter voorkoming van het gevaar getroffen te worden bij het lossen van een vrachtauto.