De Inspectie SZW heeft de afgelopen jaren geïnvesteerd in risicogestuurd en effectgericht programmatisch werken. Bij het invullen van haar toezichtstaken maakt de Inspectie gebruik van een breed instrumentarium. Naast de reguliere repressieve handhavinginstrumenten inspecteren en opsporen worden ook andere preventieve handhavinginstrumenten ingezet, zoals handhavingcommunicatie, druk zetten op opdrachtgevers, bevordering van samenwerking en branchebeïnvloeding.

De Inspectie stuurt daarbij op het behalen van resultaten en effecten die bijdragen aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Bij de inzet van mensen en middelen zijn afwegingen rond maatschappelijk effect ook nu al vaak bepalend. Het inzicht dat hier tot op heden in geboden werd, biedt nog ruimte voor verbetering. Een bovenmatige focus op kengetallen zoals aantallen inspecties biedt onvoldoende inzicht in de bijdrage van de Inspectie aan het gewenste maatschappelijk effect. Dergelijke productie-indicatoren dragen ook als risico in zich dat kwantiteit (output) bij sturing voorgaat op kwaliteit (effect). Een inspectie kan staan voor een bezoek van enkele uren of juist voor een diepgaand onderzoek van dagen of weken, waarbij de Inspectie een constructie ontrafelt. De Inspectie wil deze aanpak de komende jaren verder ontwikkelen. Daarbij gaat het niet om het aantonen van een causaal verband tussen interventies en effect, maar om informatie die de resultaten van de Inspectie weergeeft. En waarvan het plausibel is dat deze resultaten bijdragen aan het realiseren van het beoogde maatschappelijk effect.

De Inspectie hanteert tot nu toe de kerncijfers handhaving zoals weergegeven in onderstaande tabel "4. Kerncijfers handhaving". Deze kerncijfers betreffen onder andere aantallen inspecties, opsporingsonderzoeken en onderzoeksrapporten. Ook voor het begrotingsjaar 2018 worden deze kerncijfers opgenomen. In de begroting SZW 2018 waren de ramingen voor 2018 niet ingevuld ( tabel 1.6 en 1.7 van begroting SZW 2018). Dit hield verband met de - toen nog onbekende - besluitvorming over het ICF. Nu het Regeerakkoord daarover helderheid heeft verschaft, zijn de ramingen voor 2018 bepaald.

Voor haar interne sturing blijven dit voor de Inspectie belangrijke kengetallen. De genoemde kengetallen zijn te beschouwen als middelen in de aanpak om maatschappelijk effect te behalen en niet als een doel op zich. Vanaf het begrotingsjaar 2019 presenteert de Inspectie SZW de ‘Kerncijfers handhaving’ enkel in haar jaarverslagen.

De Inspectie organiseert haar werk in ruim twintig programma’s. Dat doet zij om de bij de Inspectie aanwezige kennis, ervaring, denk- en uitvoeringskracht op een wendbare en flexibele manier risicogericht in te kunnen zetten. Vanwege de gewenste wendbaarheid en flexibiliteit kan het aantal programma’s van de Inspectie en de inhoud ervan van jaar tot jaar variëren.

Sinds haar jaarplan 2017 formuleert de Inspectie per programma wat de beoogde maatschappelijke effecten zijn, met welke resultaten de Inspectie wil bijdragen aan de realisatie ervan, en via welke interventies en met welke mensen en middelen zij die resultaten wil realiseren. In haar jaarverslagen rapporteert de Inspectie over de uitvoering van deze programma’s en de realisatie van de in de programma’s beoogde resultaten en effecten. Het benoemen en - met behulp van kengetallen en indicatoren- inzichtelijk maken van maatschappelijk effect is nadrukkelijk een ontwikkelingsproces. Dit heeft zeker nog niet een definitieve of vaststaande vorm gekregen maar zal gaandeweg door betere of additionele inzichten wijzigingen ondergaan.

Het onderdeel "1.Inspectie Control Framework" van onderstaande tabel geeft de resultaten weer van de in het ICF genoemde punten. Ten opzichte van tabel 1.7 in de begroting 2018 van SZW zijn in de onderstaande tabel naar aanleiding van het regeerakkoord twee kolommen toegevoegd. Dit betreft de raming voor 2020 en voor 2023. Om recht te doen aan de ontwikkeling bij de Inspectie van output- naar effectsturing is nieuwe beleidsinformatie in de tabel opgenomen bij het onderdeel "3. Effect".

De kerncijfers "Capaciteitsinzet" geven weer hoe de beschikbare capaciteit is verdeeld over de domeinen Gezond en Veilig, Brzo, Eerlijk en Werk en Inkomen. De toekomstige capaciteitsverdeling is mede een uitvloeisel van de inzet van de middelen uit het regeerakkoord en de meerjarenprogrammering van de Inspectie SZW .

Hoewel de Inspectie meer interventies inzet dan inspecteren alleen, zal naar verwachting voor de korte en middellange termijn de meeste capaciteit worden ingezet voor inspecties op de terreinen Gezond en Veilig en Eerlijk. Zolang dat het geval is, kan de bijdrage van de Inspectie aan de realisatie van het beoogde maatschappelijk effect op hoofdlijnen worden afgemeten aan de volgende kerncijfers:

  • Handhavingpercentage bij eerste inspectie - De Inspectie zet haar beschikbare capaciteit risicogericht in om een zo groot mogelijk maatschappelijk effect te bereiken. Het is niet mogelijk (en ook niet nodig) om alle bedrijven te controleren op het naleven van de geldende wet- en regelgeving. De Inspectie werkt risicogericht en streeft daarom naar een hoog handhavingpercentage bij eerste inspecties. De mate waarin de Inspectie erin slaagt om bij haar (selecte) inspecties daadwerkelijk regelovertredende bedrijven aan te treffen, biedt een indicatie voor de mate waarin werkgevers binnen die groep bezochte bedrijven de wet naleven en hun werknemers gezond, veilig en eerlijk werken.
  • Handhavingpercentage bij herinspectie - Bij het aantreffen van regelovertredende bedrijven zal de Inspectie handhavend optreden met de bedoeling om bij de betreffende bedrijven een gedragsverandering te realiseren die maakt dat deze bedrijven in het vervolg de relevante arbeidswetgeving zullen naleven. De Inspectie streeft daarom naar een laag handhavingpercentage bij herinspecties. De terreinen Gezond en Veilig, Brzo en Eerlijk verschillen in aard en ernst van de problematiek en daarmee in aanpak. Hierdoor verschillen de geraamde handhavingpercentages per domein.
  Tabel 1 Inspectie Control Framework, capaciteitsinzet, effecten en handhaving          
    Realisatie 2016  Raming 2017 Raming 2018 Raming 2020 Raming 2023
 

1. Inspectie Control Framework

         
 

Verhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

42:58 30:70 30:70 50:50  
 

Verhouding niet/wel deelname Inspectie SZW aan gezamenlijke BRZO-inspecties (%)

41:59 40:60 40:60 90><100  
 

Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0-5)¹

2 2 2   3
 

Inspectiedekking Eerlijk (%)²

1 1 1   3
             
 

2. Capaciteitsinzet ³

         
 

Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

42 42 45   35
 

BmGS incl Brzo (%)

11 11 8   10
 

Eerlijk (%)

44 44 44   53
 

Werk en Inkomen (%)

3 3 3   2
             
 

3. Effect

         
 

Handhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

58 >50 >50    
 

Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

9 <50 <50    
 

Handhavingspercentage Brzo

43 40 40   <40
 

Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk

48 >50 >50    
 

Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk (%)

43        
             
 

4. Kerncijfers Handhaving

         
 

Aantal inspecties en onderzoeken gezond en veilig werken (excl. Brzo)

15.491 13.000 >10.000    
 

Handhavingspercentage gezond en veilig werken (excl. Brzo)

51 50 >50    
             
 

Aantal inspecties en onderzoeken Brzo

541 250-300 >250    
 

Handhavingspercentage Brzo

43 40 40   <40
             
 

Aantal inspecties eerlijk werken

2.890 2.500 >1500    
 

Handhavingspercentage eerlijk werken

48 >50 >50    
             
 

Aantal programmarapporten werk en inkomen

3 7 6    
 

Aantal overige producten Werk en Inkomen

16 2 4    
             
 

Aantal afgeronde opsporingsonderzoeken SZW-domein

62 55-60 50-60    
 

Aantal bij het OM aangemelde verdachten

167 >150 130-170    
 

Vastgesteld nadeel (x miljoen €)

49 >10 10-20    

1Niveau 2 staat voor: Interne informatie wordt gestructureerd verzameld in de eigen organisatie en informatie geeft antwoord op wat het probleem is. Niveau 3 staat voor: Interne en externe informatie wordt gestructureerd verzameld en geanalyseerd. Informatie heeft een sturende rol.

2Betreft het aandeel van alle bedrijven waar oneerlijk werk een potentieel risico is en waar de Inspectie toezicht heeft gehouden

3Betreft alleen de som van de capaciteitsinzet in de toezichtsprogramma’s

Toelichting op de tabel: 

  • De tabel is gelijk aan tabel 1.6 en 1.7  in de begroting SZW 2018. Met als aanvulling dat in dit jaarplan aan de tabel kolommen zijn toegevoegd voor 2020 en 2023 en dat  ramingen voor 2017, 2018, 2020 en 2023 zijn ingevuld.
  • De tabel toont dat de verhouding preventief/reactief werk naar verwachting in 2018 niet verbetert. Dit houdt verband met de aanhoudende stijging in 2017 - die naar verwachting in 2018 doorzet - van het aantal te onderzoeken ongevallen. Zoals bovenstaand beschreven zullen de in 2018 in dienst te nemen medewerkers in dat jaar niet tot operationele inzet leiden. De tabel drukt uit dat met de toenemende capaciteit wordt beoogd om in 2020 de verhouding terug te hebben gebracht tot 50/50.
  • Op gelijke wijze drukt de tabel uit dat de inspectiedekking Brzo in 2020 de 100 procent zal dienen te benaderen, dat in 2023 de score op informatiegericht werken dient te zijn verhoogd en dat de inspectiedekking op het vlak van eerlijk werk zal zijn verdubbeld.
  • Vanwege de per doel verschillende intensiteit van de uitbreiding, zal in de eindsituatie naar verhouding relatief gezien een groter deel van de totale capaciteit op het doel ‘eerlijk werk’ worden ingezet. Dit is conform het ICF. In plaats van nu ruim 40 procent, zal dat naar meer dan 50 procent van de (ook in totaliteit toegenomen) capaciteitsinzet stijgen. De precieze verdeling is uitvloeisel van programmering, geen doel op zich.
  • Wat betreft de kengetallen voor effect geldt dat de opgenomen ramingen voor 2018 uitdrukken dat ernaar gestreefd wordt dat door risicoselectie het handhavingpercentage bij eerste inspectie hoger is dan 50%. Dit geldt zowel voor het terrein Veilig en Gezond als voor Eerlijk. Het met handhaving beoogde gedragseffect komt tot uitdrukking in een handhavingpercentage dat bij tweede inspectie idealiter lager ligt dan bij de eerste. Hiervoor wordt geen generiek doel geformuleerd. De uitkomst van de handhaving bij tweede inspectie geldt als een kengetal om te monitoren of de handhaving effect sorteert.
  • Bij Brzo inspecties is er geen zinvol onderscheid tussen eerste en tweede inspectie. De werkwijze is dat het toezicht blijft totdat een onvolkomenheid of overtreding is opgeheven. De handhaving ligt hier rond 40%. De raming voor 2018 is ook 40%. Dit is geen doelvariabele. De tabel brengt tot uitdrukking dat het handhavingpercentage op termijn naar verwachting lager zal zijn. Dit houdt verband met het volgende. De Inspectie werkt risicogericht en komt in de huidige situatie niet jaarlijks bij alle Brzo bedrijven. Als in de toekomst (bijna) ieder Brzo bedrijf wordt bezocht, zullen logischerwijs ook de bedrijven met minder risico op overtredingen worden bezocht. Daardoor zal het gemiddelde percentage handhaving naar verwachting lager zijn. Verder kan van het frequenter inspecteren een preventief effect uitgaan.
  • De tabel geeft verder inzicht in aantallen inspecties. Dit zijn geen doelvariabele, maar uitvloeisel van de programmering en aanpak per programma. De aantallen onderzoeken op het terrein van gezond en veilig zijn uitvloeisel van zowel de op preventie gerichte programmering als de, qua tijdsbeslag intensievere, ongevalsonderzoeken.
  • De aantallen onderzoeken op het vlak van eerlijk werk zijn uitvloeisel van de allocatie van capaciteit naar de verschillende programma’s. De afgelopen jaren is relatief veel capaciteit ingezet op het programma Horeca en detailhandel - met relatief lagere zaaktijden dan de meeste andere programma’s op het vlak van eerlijk werk - en omdat in 2018 de capaciteit meer gelijkmatig over de programma’s wordt verdeeld, resulteert een lager totaal aantal inspecties. Overeenkomstig het Inspectie Control Framework wordt in het jaarplan 2019  gebruik gemaakt van het kengetal inspectiedekking. Dit betreft, in procenten uitgedrukt, het aantal bedrijven dat door interventies van de Inspectie wordt bereikt ten opzichte van het totaal aantal bedrijven waarop een programma ziet, of daarbinnen op de groep hoogrisicobedrijven. Zoals in het ICF beschreven, geeft dit kengetal een beter inzicht in de aard van de inzet ten opzichte van de toezichtspopulatie in een programma en ten opzichte van het risico.
  • Het aantal rapporten op het vlak van werk en inkomen is een resultaat van de inhoudelijke programmering gericht op maximaal effect van het onderzoek en van de rapportage bij partijen in het domein werk en inkomen (waaronder gemeenten).
  • De kerncijfers met betrekking tot opsporing zijn uitvloeisel van de afspraken met en de aansturing door het Openbaar Ministerie.