De Inspectie maakt in haar aanpak onderscheid naar doelgroepen. Afhankelijk van de motieven van werkgevers om relevante wet- en regelgeving wel of niet na te leven, zet de Inspectie vervolgens interventies in.

De Inspectie maakt in haar aanpak onderscheid naar doelgroepen. Afhankelijk van de motieven van werkgevers om relevante wet- en regelgeving wel of niet na te leven, zet de Inspectie vervolgens interventies in. De komende periode wil de Inspectie die aanpak toepassen in alle programma’s. Dat gebeurt door meer kennis op te doen van de werkgeverspiramide (zie figuur verderop op deze pagina). Daarnaast wordt de interventietoolbox17  verder uitgewerkt, waarbij de nadruk ligt op de toepassing van interventies gebaseerd op gedragsinzichten.

De Inspectie werkt op het brede domein van eerlijk, gezond en veilig werk vanuit de visie dat de meeste werkgevers zich aan de wet kunnen en willen houden en zich een goed werkgever tonen. Deze werkgevers vormen de basis van de “werkgeverspiramide”. In de top van de piramide bevinden zich criminele werkgevers, die willens en wetens de wet overtreden. Daartussen bevinden zich werkgevers die zich wel aan de regels willen houden, maar dat (nog) niet kunnen en een groep werkgevers die wetten af en toe bewust overtreedt.18

Naarmate werkgevers de regels minder naleven, zet de Inspectie zwaardere instrumenten in. Denk aan waarschuwingen, boetes, stilleggingen en dwangsommen. De Inspectie richt haar aanpak voornamelijk op de top van de piramide. Bewuste en notoire overtreders en criminele organisaties krijgen te maken met een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke harde aanpak.19  Bedrijven die worden geïnspecteerd en de regels (blijven) overtreden, worden aangepakt met steeds zwaardere vormen van handhaving. Dat gebeurt aan de hand van een escalatiemodel.

Het escalatiemodel ziet er als volgt uit. Bij een deel van de bedrijven waar een overtreding is geconstateerd, volgt een herinspectie. Hebben deze bedrijven hun zaken dan nog steeds niet op orde, dan volgt een niet-naleversinspectie. Als het daarna nog niet klopt, volgt de notoire overtredersaanpak met zware handhavingsinzet. Ook de middengroepen krijgen aandacht van de Inspectie. Dit zijn “gelegenheidsovertreders” (die de grenzen van de wet opzoeken) en “ontwijkers”. Doel is om deze groepen met gerichte interventies aan de goede kant te krijgen en te houden. Denk aan nalevingscommunicatie, zelfinspectietools gericht op werkgevers en werknemers, branchebeïnvloeding en druk op de keten.

Figuur 1

De interventiemix: naar een meer gedifferentieerde aanpak

De afgelopen jaren heeft de Inspectie geïnvesteerd in een Interventietoolbox. Deze toolbox helpt de medewerkers van de programma’s goede interventies samen te stellen voor de doelgroepen in het programma, samen met betrokken in- en externe partijen.

De toolbox bevat de meest recente inzichten uit de gedragswetenschap en uit de praktijk over hoe je als toezichthouder gedrag kunt beïnvloeden en welke interventies voor welke doelgroepen effectief (kunnen) zijn. Naast kennis biedt de Interventietoolbox ook werkvormen om deze kennis toe te passen in de programma’s. Om de toolbox toe te passen, vormt elk programma een zo goed mogelijk beeld van de werkgeverspiramide: wie zijn nalevers, onwetenden, onwillenden, notoire overtreders en criminele organisaties op het terrein van het programma? Met behulp van de Interventietoolbox is de Inspectie beter toegerust om per doelgroep de meest geschikte interventie in te zetten. Het zwaartepunt van de inzet van de Inspectie ligt op de bovenkant van de piramide.

Veiligheidscultuur

Daarnaast wil de Inspectie de komende periode meer instrumenten inzetten en nieuwe instrumenten ontwikkelen om de veiligheidscultuur in bedrijven te verbeteren. De bedrijfscultuur is bepalend voor de mate waarin er veilig en gezond wordt gewerkt. De toenemende aandacht voor toezicht op bedrijfscultuur heeft te maken met het feit dat toezichthouders zoeken naar manieren om een meer blijvend effect binnen bedrijven te bewerkstelligen, waardoor het nalevingsniveau van die bedrijven stijgt. Daarvoor is nodig dat bedrijven niet alleen op papier maar ook in de praktijk gericht zijn op de bescherming van medewerkers.

Burgerperspectief

Het kabinet beveelt aan om bij het opstellen van regelgeving rekening te houden met het vermogen van mensen om overheidsregels te begrijpen en daar adequaat naar te handelen (het zogenoemde doenvermogen).20  Het perspectief van de burger is belangrijk in de interventies van de Inspectie. Veel burgers zijn actief op de arbeidsmarkt en hun inzichten zijn dan ook waardevol. De Inspectie houdt daarom steeds meer rekening met het burger- of bedrijfsperspectief bij de ontwikkeling van interventies. Ook houdt de Inspectie enquêtes om te weten wat burgers als grootste problemen ervaren.Tot slot richt de Inspectie twee herkenbare programma’s in waarin het snel en adequaat oppakken van signalen van burgers en stakeholders centraal staat.21

Opsporing

Belangrijk in de interventiemix is dat zowel het bestuursrecht als het strafrecht in beeld zijn om gezamenlijk, gericht en met meer effect ondermijning aan te pakken. Opsporing wordt ingezet als een strafrechtelijke aanpak het meeste effect oplevert of om criminele fenomenen aan te tonen. Daartoe verzamelt, registreert en analyseert de opsporingsdienst inspectiedata over misdaden die de rechtsorde ernstig schenden, ofwel het stelsel van sociale zekerheid ernstig ondermijnen. De opsporingsdienst heeft de mogelijkheid om binnen de kaders van de Wet Politiegegevens - in het belang van het opsporingsonderzoek - gegevens uit te wisselen met andere opsporingsdiensten. Hierdoor ontstaat zicht op daders en criminele netwerken. De komende jaren staan in het teken van verdere professionalisering van het opsporing- en intelligenceproces. Dit is met name gericht op tactische, digitale en financiële kennis.22

Communicatie

Voor de Inspectie is communicatie een belangrijk middel om werkgevers, zelfstandigen en werknemers te bereiken, informeren en beïnvloeden. Groepen die zich bewust moeten zijn van hun eigen verantwoordelijkheden en verplichtingen op het gebied van gezond, veilig en eerlijk werk. Daarnaast communiceert de Inspectie over de effecten van haar werk voor de maatschappij en de politiek.

De Inspectie communiceert over haar aanpak en prioriteiten via de media, via communicatiemiddelen van bijvoorbeeld belangenorganisaties of branches of via haar eigen kanalen (de website, social media, zelfinspectietools, digitale magazines). De Inspectie communiceert onder meer over wet- en regelgeving en over de instrumenten die ze inzet om naleving te stimuleren. Dit gebeurt zowel via persberichten over boetes en stilleggingen als via communicatiemiddelen gericht op bepaalde sectoren of branches.

Om aandacht voor belangrijke thema’s te genereren wordt – waar mogelijk – ook de samenwerking gezocht met stakeholders. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om onderwerpen als “Decent Work Day”, waarin fatsoenlijk werk centraal staat, of de publicatie van een ”Staat van…” waarin een thema als eerlijk werk of arbeidsveiligheid over een aantal jaren in kaart wordt gebracht.

17Zie bijlage II voor meer informatie over de Interventietoolbox.

18Inspectie SZW, Jaarplan 2018, 2017, p.5

19De strafrechtelijke aanpak gebeurt onder aansturing van het Openbaar Ministerie/Functioneel Parket.

20TK, 2017-2018, 34 775 VI, nr. 88, p.3.

21Het gaat om het programma Meldingen, verzoeken en preventie onveilig en ongezond werk en het programma Meldingen en preventie oneerlijk werk.

22Inspectie SZW, Jaarplan 2018.