De Nederlandse arbeidsmarkt staat er beter voor dan de afgelopen jaren. Niet alle werkenden delen echter in gelijke mate mee. De tweedeling op de arbeidsmarkt is na 2008 verscherpt. Deze tweedeling bestaat tussen mensen met “goede banen”, met een goede bestaanszekerheid, een sterke onderhandelingspositie en mogelijkheden om zichzelf te ontwikkelen en mensen met “slechte banen”.

Deze werkenden hebben een laag inkomen, weinig zekerheid en nauwelijks ruimte voor ontwikkeling.31  Werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt concurreren met een diverse en groter wordende groep, zoals arbeidsmigranten uit vooral Midden- en Oost-Europa, scholieren en studenten met steeds grotere bijbanen en opgeleiden op middelbaar niveau. De oorzaken van de tweedeling zijn te vinden in ontwikkelingen als flexibilisering, technologisering en internationalisering van de economie en de arbeidsmarkt.

Vergeleken met andere Europese landen werkt in Nederland een relatief groot deel van de werkenden met een flexibel contract. Bijvoorbeeld als uitzendkracht, zzp’er of oproepkracht. Onzekere economische omstandigheden, een dalende organisatiegraad van de vakbonden, specifieke kenmerken van nationale wetgeving (zoals het relatief strenge ontslagrecht), grotere internationale mobiliteit en technologische factoren hebben allemaal bijgedragen aan de groei van de flexibele schil in Nederland. Vooral jongeren, middelbaar opgeleide en lager opgeleide werknemers, migranten en vrouwen werken op basis van flexibele contracten. Maar ook hoger opgeleide mensen en werknemers van middelbare leeftijd hebben steeds vaker flexcontracten. Uiteindelijk is niet de flexibiliteit het probleem, maar de onzekerheid die door de flexibiliteit ontstaat. Door die onzekerheid lopen mensen risico op armoede, stress en een gebrek aan mogelijkheden voor individuele ontwikkeling en verbetering van de arbeidsmarktpositie.32

Naast flexibilisering is ook de verdergaande technologisering een van de oorzaken van de toenemende tweedeling op de arbeidsmarkt. Technologische ontwikkeling leidt tot hoogwaardiger werk, ook wel “upgrading” genoemd. Er is sprake van een “skill‐biased” technological change waardoor het inkomensverschil tussen laag- en hooggekwalificeerde arbeid verscherpt en er meer vraag is naar bijvoorbeeld hoogopgeleide werknemers. Door technologisering en automatisering verdwijnen sommige beroepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, waar werkgevers vaak deeltijdwerk, seizoensarbeid en tijdelijke klussen aanbieden.

Banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt zijn daarnaast vaak het gevolg van uitbreiding van de dienstensector, vooral de gemaksdiensten.33  Nu een deel van de bevolking meer geld heeft, besteden ze dat makkelijker aan diensten zoals schoonmaak, persoonlijke zorg, horeca, hondenuitlaatdiensten en kappers. Dit zijn sectoren die vaak opereren op de scheidslijn van de formele en de informele economie. Hierbij wordt regelmatig gebruik gemaakt van internet om vraag en aanbod snel en goedkoop bij elkaar te brengen.

De internationalisering van de arbeidsmarkt zet de loonontwikkeling onder druk. Door meer mobiliteit van werknemers en kapitaal kunnen zowel werk als werknemers zich makkelijker tussen landen verplaatsen. De relatief goed draaiende economie en de flexibele arbeidsmarkt maken Nederland aantrekkelijk voor arbeidsmigratie in Europa. Dit vergroot het arbeidsaanbod en is daarom nuttig voor sectoren of beroepen met arbeidstekorten. De grotere concurrentie tussen werknemers is echter nadelig voor hun onderhandelingspositie. Een deel van de nieuwe werkenden is bereid te werken onder de hier geldende cao-lonen en zelfs onder het wettelijk minimumloon. Wat naar Nederlandse maatstaven een laag loon is, is voor arbeidsmigranten uit bijvoorbeeld Bulgarije en Roemenië een aantrekkelijk salaris.

Daar komt bij dat deze groepen arbeidsmigranten ook kwetsbaarder zijn voor uitbuiting. De kern van arbeidsuitbuiting bestaat vaak uit het creëren van een financiële binding door al dan niet illegale arbeidsmigranten in een permanente schuldenpositie te houden, gecombineerd met intimidatie en isolatie. Door krapte op de woningmarkt en de manier waarop bemiddelingsbureaus het werk organiseren zijn deze werknemers soms afhankelijk van slechte woningen met hoge huren die de werkgever of het bemiddelingsbureau aanbiedt. Het kan dan gaan om gedwongen huisvesting die dient als verdienmodel voor de uitbuiter, maar ook om werknemers te isoleren. Slachtoffers van uitbuiting worden zo op meerdere vlakken afhankelijk gemaakt.34

De Inspectie signaleert steeds meer constructies en verdienmodellen die oneerlijke concurrentie tussen werkgevers veroorzaken. Deze richten zich bijvoorbeeld op het vervalsen van loonstroken, het betalen van het minimumloon per giro waarna de werknemer dat bedrag deels contant terugbetaalt, het werken met stukloon met onrealistische productiviteitseisen, gefingeerde dienstverbanden en schijnzelfstandigheid. In gefingeerde dienstverbanden worden “nep”-dienstverbanden gecreëerd: er is formeel een contract en het loon wordt betaald, maar er wordt in de praktijk niet gewerkt en de werknemer geeft het loon weer terug. Zo kan de werknemer rechten opbouwen voor uitkeringen, verblijfsvergunningen of pensioen. Ook kunnen gefingeerde dienstverbanden worden gecreëerd om stages en werkervaringsplaatsen te misbruiken om betaling van het minimumloon te omzeilen.

In deze context is ook het risico op schijnzelfstandigheid relevant. Er is sprake van schijnzelfstandigheid als iemand formeel werkt als zelfstandige, maar in de praktijk een werkgevers-werknemersrelatie heeft. Betrouwbare cijfers ontbreken, maar schattingen uit voorgaande jaren lopen uiteen van 120.000 tot 210.000 schijnzelfstandigen. Schijnzelfstandigheid komt vooral voor in sectoren als bouw, schoonmaak, transport en logistiek, zorg en zakelijke dienstverlening.35  Opdrachtgevers van schijnzelfstandigen drukken de loonkosten door geen belastingen en premies voor de werknemer af te dragen. Op deze manier ontwijken werkgevers die de wet overtreden, ook hun verantwoordelijkheid voor de arbo- en verzuimzorg van werknemers. Schijnzelfstandigheid werkt een oneerlijk speelveld in de hand en brengt gezond en veilig werk in een neerwaartse spiraal. Dat blijkt onder meer uit het feit dat arbeidsongelukken relatief vaak voorkomen bij flexibele werknemers, zoals uitzendkrachten en zzp’ers.

Om te kunnen handhaven op arbeidsvoorwaarden zoals het minimumloon, maar ook om te kunnen bepalen of er sprake is van werkgeverschap, is het nodig een gezagsverhouding vast te stellen tussen werkgever en werknemer. Bij schijnzelfstandigheid wordt juist die gezagsverhouding troebel (gemaakt), waardoor onduidelijk is welk deel van de reguliere arbeidsvoorwaarden wel of niet van toepassing zijn. Een meerderheid van de inspecteurs die zzp’ers aantreft in de risicosectoren (zoals de bouw of de schoonmaak), vermoedt dat zzp’ers onder gezag werken. In meer dan de helft van de zzp-inspecties is de gezagsrelatie tussen “opdrachtgever” en “zzp’er” onduidelijk.

Een ander hardnekkig risico voor het stelsel dat de solidariteit in de samenleving ondermijnt, is zwart werken naast een uitkering. De omvang van de zwartwerkende uitkeringspopulatie schat het CBS voor verschillende uitkeringswetten in 2010 tussen 3,5 en 6,9%.36  Een andere CBS-studie37  laat zien dat de pakkans voor zwart werken met een uitkering door uitkeringsgerechtigden die zelf zeggen zwart te hebben gewerkt, als zeer gering wordt gezien (88%: klein tot zeer klein). Bij uitkeringsgerechtigden die niet zwart hebben gewerkt is er meer vertrouwen in de handhaving: hier schat 51% de pakkans zeer klein tot klein. Een recent onderzoek komt tot een lagere naleving van de inlichtingenplicht dan CBS (81% in de WW en 72% in de WWB), maar tot een substantieel hogere inschatting van de pakkans door uitkeringsgerechtigden bij overtreding van de inlichtingenplicht: slechts 5% van de WW’ers en 27% van de WWB’ers denkt dat de uitvoeringsinstantie er niet achter komt als zij extra inkomsten niet opgeven.38  In het laatste onderzoek wordt in de vraagstelling geen onderscheid gemaakt tussen zwarte en witte inkomsten, wat deels het forse verschil tussen de studies zou kunnen verklaren. Daarnaast speelt bij zwartwerk en fraude altijd het risico van onderrapportage en is ook daarom de gekozen methodiek van invloed op de onderzoeksuitkomsten.

Steeds meer mensen werken voor platformen die diensten of producten online aanbieden. Door deze platformen worden de kosten voor het matchen van vraag en aanbod sterk verlaagd. De platformeconomie biedt nieuwe kansen voor de arbeidsmarkt, maar kan ook ten koste gaan van de arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden. Dit risico speelt extra waar het platform vraag en aanbod van arbeid bij elkaar brengt. Werkenden via het platform kunnen het idee hebben dat ze hun eigen inkomsten optimaliseren, terwijl het platform door het gedrag van de werkenden te analyseren en te sturen vooral de bedrijfsinkomsten maximaliseert.

Recent onderzoek van SEO geeft inzicht in de ‘kluseconomie’.39  De meeste werkers zijn jong, relatief hoogopgeleid en werken minder dan twintig uur per week, al verschilt het aantal gewerkte uren sterk. Gemiddeld wordt € 15 per uur verdiend, maar ook hierin bestaan grote verschillen. Platformwerkers geven in de in het onderzoek gebruikte focusgroepen aan over het algemeen tevreden te zijn over hun werk en hun kwetsbare arbeidsmarktpositie niet als een probleem te ervaren. Zeker omdat de meeste platformwerkers het werk zien als bijbaan of aanvullende inkomsten, en niet van plan zijn het werk lang te doen. Ongeveer 0,4% van de beroepsbevolking (34.000 personen) is in 2018 werkzaam via een platform. Hiervan is ongeveer een derde actief in de maaltijdbezorging.

De verwachting is dat het aantal platformwerkers zal toenemen. SEO concludeert dat bij een sterke groei van de platformeconomie het evenwicht tussen het beschermen van werkenden enerzijds en het stimuleren en faciliteren van ondernemerschap anderzijds verstoord kan raken.40  Daarnaast spelen er vragen rondom het afdekken van werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsrisico’s, maar ook met betrekking tot de toepasbaarheid van arbeidsmarktwetgeving en de aansprakelijkheid bij ongevallen. Naar analogie met sectoren waar marges laag en concurrentie hoog zijn en arbeidskosten zwaar tellen in de kostprijs, verwacht de Inspectie dat de wijze waarop de arbeidsrelatie wordt vormgegeven (werknemerschap, zzp, opdrachtverstrekking etc.) in hoge mate door kostenoverwegingen wordt gedreven. En dat er daardoor sprake is van risico’s voor eerlijk, gezond en veilig werk binnen de platformeconomie. Relevant is verder of platformtechnieken en daarmee verbonden vergroting of verkleining van informatie-asymmetrie en algoritmegestuurd werken ook binnen bedrijven toepassing zullen vinden. De Inspectie geeft in deze programmaperiode aandacht aan de opkomst van dergelijke nieuwe vormen en mogelijke reacties in regelgeving.

De permanente politieke aandacht voor onderbetaling en arbeidsuitbuiting resulteert in veel ontwikkeling in wet- en regelgeving. De herziening van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML), de Wet Aanpak Schijnconstructies (WAS) en de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie (DBA) zijn daar voorbeelden van. Ook de wet- en regelgeving rondom arbeidsmigratie binnen en buiten de EU wordt regelmatig aangepast. Het regeerakkoord uit 2017 onderschrijft dat aan de onderkant nog steeds sprake is van schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden en stelt een vervanging van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties in het vooruitzicht. De nieuwe wet moet enerzijds (de inhuurder van) echte zelfstandigen zekerheid bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking en anderzijds schijnzelfstandigheid (vooral aan de onderkant) voorkomen.41  Verder worden maatregelen aangekondigd om concurrentie op arbeidsvoorwaarden aan te pakken door payrolling en nulurencontracten te richten op het oorspronkelijke doel.42

Sinds 18 juni 2016 is de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU) van kracht. Hiermee zijn er meer mogelijkheden om te bevorderen dat gedetacheerde werknemers eerlijk, gezond en veilig werken. De meldplicht in 2019 en de opbouw van een administratief bestand van gedetacheerden maken betere controle van gedetacheerde arbeid mogelijk. De WagwEU omvat onder meer een inlichtingenverplichting voor werkgevers. Dat betekent dat bepaalde documenten op de werkplek aanwezig of direct digitaal beschikbaar moeten zijn. Het gaat dan om bijvoorbeeld loonstrookjes en overzichten van arbeidstijden. Ook moeten werkgevers een contactpersoon aanwijzen voor de Inspectie.

31Kalleberg, A.L., Good Jobs, Bad Jobs, 2011.

32WRR, Voor de zekerheid. De toekomst van flexibel werkenden en de moderne organisatie van arbeid, 2017.

33De Beer, P., De arbeidsmarkt in 2040 Ingrijpende veranderingen, maar ook veel continuïteit, 2016.

34Inspectie SZW, Staat van eerlijk werk, 2017.

35Ministerie van Financiën, IBO Zelfstandigen zonder personeel, april 2015.

36CBS, Een onderzoek naar zwartwerk onder uitkeringsgerechtigden en de totale bevolking in 2010, Den Haag/Heerlen 2013.

37CBS, Een onderzoek naar zwartwerk onder uitkeringsgerechtigden en de totale bevolking in 2011, Den Haag/Heerlen 2012, p25.

38Hertogh, M. (red.) e.a., Slimme Handhaving; een empirisch onderzoek naar handhaving en naleving van de sociale zekerheidswetgeving, Den Haag 2018.

39SEO, De opkomst en groei van de kluseconomie in Nederland, 2018.

40SEO, De opkomst en groei van de kluseconomie in Nederland, 2018.

41Tweede Kamer 2017-2018, stuknummer 34775 XV-12, p25.

42Tweede Kamer 2017-2018, stuknummer 34775 XV-12, p23.