De Inspectie houdt toezicht op alle 1,7 miljoen5  Nederlandse bedrijven waar 8,7 miljoen6  mensen werken. Niet alle werkgevers kunnen worden geïnspecteerd. De Inspectie streeft ernaar de capaciteit en middelen in te zetten voor de meest risicovolle situaties en bedrijven. De Inspectie pakt de complexe en ernstige maatschappelijke problemen aan in programma’s met een op maat gesneden aanpak.
 
2018 is het laatste jaar van de vierjarenprogrammering 2015-2018. De voorbereiding voor de komende vier jaar valt samen met de uitvoering van de aanzienlijke personele uitbreiding waartoe in het regeerakkoord is besloten.

De nieuwe programmering voor 2019-2022 is tot stand gekomen op grond van een nieuwe, verbeterde inspectiebrede risicoanalyse (4.0) en omgevingsanalyse.7  De risico’s in de inspectiebrede risicoanalyse zijn afgeleid uit wet- en regelgeving en beleidsdoelstellingen van het ministerie van SZW. De risicoanalyse besteedt nu ook aandacht aan de werking van stelsels die gericht zijn op de beheersing van de risico’s op het domein van SZW. Denk aan het arbozorgstelsel, het sociale zekerheidstelsel en het stelsel van eerlijk werk. Voor het eerst is daarnaast aan burgers gevraagd welke risico’s op het werkterrein van de Inspectie volgens hen prioriteit moeten krijgen.
 
Binnen het domein van SZW onderscheiden we twintig hoofdrisico’s (zie tabel 1). Elk risico heeft een score op basis van kwantitatieve en kwalitatieve bronnen in de risicoanalyse en omgevingsanalyse.8  Daarbij gaat het om de groep mensen die met het risico te maken heeft of kan krijgen, de mate waarin deze groep is blootgesteld aan het risico, de mate waarin het risico ongunstige gevolgen heeft (zoals beroepsziekten of verzuim) en het maatschappelijk belang dat aan het risico wordt gehecht. In de analyse is ook de invloed van de sociaal-maatschappelijke en economische ontwikkelingen op de risico’s meegewogen (de groeiende economie, flexibilisering, vergrijzing, migratie, robotisering en schijnconstructies).

Verder is geïnventariseerd hoe doorslaggevend de rol van de Inspectie is bij het terugdringen van het risico. Oftewel, de mate waarin het toezicht naar verwachting een bijdrage levert aan het verkleinen van het risico.9  Denk aan inspecties, rechercheonderzoek, voorlichting, samenwerking, onderzoek, rapporteren en signaleren. De optelsom van de scores levert een relatieve prioritering op van de risico’s binnen het domein van SZW. De risico’s met de hoogste scores staan in tabel 1 in het rode vlak. Naarmate een risico op minder aspecten scoort, bevindt het risico zich lager in de tabel10.

Tabel 1
Tabel 1: Hoofdrisico's binnen het domein van SZW

De belangrijkste inzichten uit de risicoanalyse en de omgevingsanalyse

  • Ondanks een sterk groeiende economie blijft er een grote druk op de loonkosten bij een deel van de bedrijven en sectoren. Arbeidsmigratie, internationale concurrentie en flexibilisering liggen hieraan ten grondslag. Risico’s op onderbetaling, uitbuiting, illegale tewerkstelling, uitkeringsfraude en schijnconstructies vereisen daarom extra aandacht. In toenemende mate treft de Inspectie schijnconstructies aan gericht op het belemmeren van de handhaving van Nederlandse arbeidsvoorwaarden, waardoor de complexiteit van het inspectiewerk toeneemt.
  • De (werkende) beroepsbevolking neemt toe en de economie groeit. Dat leidt tot een toename van risico’s op (zware) ongevallen door onveilige werksituaties.
  • Het belang van (risico’s van) de blootstelling aan gevaarlijke stoffen en de aandacht voor werkgerelateerde sterfte neemt toe.
  • Een steviger aanpak van arbeids(markt)discriminatie is gegrond.

Ook zonder de uitbreiding in het regeerakkoord zou in 2018 een nieuwe meerjarenprogrammering zijn gemaakt. De risico- en omgevingsanalyse geven met name de relatieve verhouding aan tussen de risico’s, ongeacht of er voor het toezicht nu meer of minder menskracht wordt ingezet. De analyse in het ICF wees uit dat de capaciteit op veel terreinen ontoereikend was, de reden waarom het regeerakkoord extra middelen inzet. Deze extra middelen en de doelen waarop die gericht zijn, sluiten nauw aan bij de risico’s uit de inspectiebrede risico- en omgevingsanalyse.

Rapporten van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en de Nationale Ombudsman onderstrepen het maatschappelijke nut van toezicht. Dat is immers gericht op het borgen van de publieke belangen. De Inspectie zet daarom haar toezichtprogramma’s opnieuw zo consistent en herkenbaar mogelijk neer. Ten eerste door helder te maken dat een programma gericht kan zijn op een sector, risico of stelsel. Ten tweede door herkenbare programma’s in te richten om signalen van burgers en andere stakeholders op te pakken (voor onveilig en ongezond werk respectievelijk oneerlijk werk). De Inspectie onderzoekt de meldingen en koppelt de bevindingen terug aan individuele melders en/of aan bijvoorbeeld sectoren of branches. Met als doel meer maatschappelijk rendement te bereiken. Data uit meldingen wordt daarnaast samengevoegd om trends en ontwikkelingen zichtbaar te maken.

Tot slot wordt de herkenbaarheid en consistentie van programma’s vergroot door een aantal samenhangende activiteiten te bundelen om de inzet zo effectief mogelijk te organiseren. Als er in een sector veel hoog geprioriteerde en diverse risico’s voorkomen, kiest de Inspectie voor een sectorprogramma zoals Horeca & detailhandel, Schoonmaak en Bouw & infra. Als er veel samenhang is tussen bepaalde risico’s die verspreid voorkomen over de sectoren, kiest de Inspectie voor thematische programma’s, zoals bijvoorbeeld het themaprogramma Schijnconstructies, cao-naleving en fraude.

Intensivering

Hierdoor kan de Inspectie volstaan met minder programma’s: 17 in plaats van 24. Door de extra capaciteit waarin het regeerakkoord heeft voorzien, zullen alle zeventien programma’s omvangrijker en robuuster zijn dan nu het geval is. De extra middelen voor de Inspectie leiden vooral tot een intensivering van de programma’s op de risicogebieden waarin de Inspectie al actief is:

  • Door meer capaciteit gaat de Inspectie op oneerlijk werk de komende vier jaar de inspectiedekking verdubbelen.
  • Door meer capaciteit en kennis gaat de Inspectie in lijn met de getrokken lessen uit het onderzoek naar Dupont intensiever inzetten op het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen.
  • Door meer capaciteit voor arbeidsomstandigheden kan de Inspectie meer inzetten op programma’s die zich via preventie richten op veilig en gezond werken. Vrijwel alle actieve programma’s op het terrein van gezond en veilig werk worden geïntensiveerd. Hiermee kan een betere balans ontstaan tussen preventieve inspecties en ongevalsonderzoek. Een grotere inzet op preventie maakt intensiever toezicht op kernverplichtingen voor goede arbozorg mogelijk. Daarmee wordt een betere veiligheidscultuur bevorderd waardoor ongevallen en gezondheidsschade kunnen worden voorkomen.
  • Door meer capaciteit kan een hoger percentage van de Brzo-bedrijven worden gecontroleerd.
  • Het risico op arbeids(markt)discriminatie is onverminderd groot. Er worden daarom extra middelen gereserveerd voor de handhaving van arbeids(markt)discriminatie.

De Inspectie stelt zich ten doel binnen de programma’s de verbinding tussen toezicht en opsporing te intensiveren. De Inspectie spoort ernstige fraude, arbeidsuitbuiting en georganiseerde criminaliteit op. Voor het Ministerie van VWS treedt de Inspectie op als opsporingsorganisatie voor fraude met persoonsgebonden budgetten en zorgdeclaraties. Deze taak wordt voortgezet.

Verbreding

Naast intensivering vindt op één vlak verbreding plaats. De risico’s die spelen in de metaalsector, zijn (vaak in grotere mate) ook aan de orde in andere sectoren in de industrie. Een algemener programma dat zich richt op de risico’s van industriële arbeid ligt daarom voor de hand. Dit laat onverlet dat de sector metaal relevant blijft.

Er wordt de komende vier jaar minder capaciteit ingezet op het stelseltoezicht op werk en inkomen. De inspectiebrede risicoanalyse laat geen nieuwe risico’s zien op gebieden waar de Inspectie recent al onderzoek naar heeft gedaan, zoals schuldhulpverlening, toegang tot inkomensondersteuning en de realisatie van participatiebanen.13 De wettelijke taak om toe te zien op de uitvoering van de sociale zekerheid wordt geborgd in het programma Toezicht SUWI en sociaal domein. Dat gebeurt door monitoring, signalering, deelname aan het Toezicht Sociaal Domein en onderzoeken op verzoek van bewindspersonen. Het onderwerp fraudebestrijding, waaronder uitkeringsfraude, is ondergebracht bij het programma Schijnconstructies, cao-naleving en fraude.

De programma’s voor de periode 2019-2022 zijn hieronder weergegeven in vier categorieën – twee programma’s meldingen, verzoeken en preventie, acht sectorprogramma’s, vijf thematische programma’s en twee stelselprogramma’s. Dit worden de programma’s voor 2019-202214 :

Meldingen en verzoeken

  • Meldingen, verzoeken en preventie onveilig en ongezond werk
  • Meldingen en preventie oneerlijk werk

Sectoren

  • Agrarisch en groen
  • Bouw en infrastructuur
  • Transport en logistiek
  • Horeca en detailhandel
  • Schoonmaak
  • Zorg
  • Uitzendbureaus
  • Industriële arbeid

Thematisch

  • Bedrijven met gevaarlijke stoffen
  • Asbest
  • Arbeids(markt)discriminatie en psychosociale arbeidsbelasting
  • Arbeidsuitbuiting
  • Schijnconstructies, cao-naleving en fraude

Stelsel

  • Certificatie en markttoezicht
  • Toezicht SUWI en sociaal domein

In de figuur hieronder wordt weergegeven hoe de capaciteitsuitbreiding er per programma uitziet.

Net als in de vorige vierjaars-programmeringsperiode, zal na twee jaar een mid-term review plaatsvinden met het oog op eventuele bijstelling voor 2021 en 2022.

5CBS Statline: aantal bedrijven, alle economische activiteiten, juli 2018.

6CBS Statline, werkende beroepsbevolking, juli 2018.

7Zie informatie over de inspectiebrede risicoanalyse 4.0 op www.inspectieszw.nl.

8Zoals de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden, Arbo In Bedrijf, de Arbobalans, jaarverslagen en enquêtes die de Inspectie zelf heeft uitgevoerd.

9Daarbij wordt ook rekening gehouden met de activiteiten van andere partijen die een rol spelen bij het beheersen van risico’s en de activiteiten die de Inspectie de afgelopen jaren zelf heeft ondernomen.

10In bijlage III is een overzicht van de definities van de hoofdrisico’s opgenomen.

11Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Toezien op publieke belangen, 2013.

12Nationale Ombudsman, Burgerperspectief in het werk van Rijksinspecties, 2017.

13Hobbels op weg naar inkomensondersteuning (over de toegang en uitvoering van inkomensondersteunende voorzieningen)(2017); Bijdrage W&I aan integrale ondersteuning van jongeren uit de jeugdhulp die 18 worden (over de overgang van jeugdhulp naar ondersteuning vanuit de Participatiewet) (2017); Werk en Inkomen als partner in integrale dienstverlening: een moeizame relatie (over de gemeentelijke dienstverlening aan gezinnen met multiproblematiek en aan dak- en thuislozen)(2017); Toegankelijkheid Schuldhulpverlening (2017); De weg naar extra banen (2016).

14Bijlage bevat een korte omschrijving van de risico’s, thema’s en sectoren van de programma’s.