Foto Heinenoordtunnel

De CO₂-Prestatieladder is een instrument dat het CO₂-management van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) structureert. Dit ondersteunt ons bij het bereiken van ons doel om klimaatneutraal te worden in 2030.   

De CO₂-Prestatieladder is een veelgebruikt instrument bij het inkopen van werkzaamheden in de Grond-, Weg en Waterbouw (GWW). Bedrijven kunnen zich laten certificeren op de CO₂-Prestatieladder en laten daarmee zien dat ze serieus aan de slag zijn met het verminderen van hun CO₂-uitstoot. IenW gebruikt dit instrument bij de eigen inkopen in de GWW, door gecertificeerde bedrijven een gunningsvoordeel in aanbestedingen te geven. Omdat we zelf ook veel CO₂-uitstoot hebben via deze inkopen, gebruiken we dit instrument ook om onze eigen emissies te reduceren en hebben we ons hiervoor laten certificeren. 

Met het certificaat kunnen we laten zien dat we de eigen CO₂-uitstoot in beeld hebben en structureel werken aan het verminderen van onze uitstoot. Daarnaast geven we met een certificaat invulling aan onze voorbeeldrol als overheid in de transitie naar een klimaatneutraal Nederland. Met de CO₂-Prestatieladder werkt IenW aan:  

  • Inzicht in de energiestromen en de CO₂-voetafdruk;
  • Reductie door het stellen van doelen en een resultaatverplichting;
  • Transparantie over de resultaten en het CO₂-beleid;
  • Samenwerking door deelname aan CO₂-reductie-initiatieven in de sector. 

De strategieën en maatregelen die we nemen om onze eigen reductie te behalen, staan beschreven op de pagina's Strategie Klimaatneutrale en Circulaire Organisatie, Energieverbruik en emissies in de eigen organisatie, Onze zakelijke mobiliteit, Strategie Klimaatneutrale en Circulaire Infrastructuur en Transitiepaden. De jaarcijfers van ons energiegebruik, de emissies en de reductieresultaten over 2023 staan voor de eigen bedrijfsvoering op de pagina's energieverbruik en emissies van de eigen organisatie en zakelijke mobiliteit. De jaarcijfers van ons energiegebruik, de emissies en de reductieresultaten over 2023 voor de inkopen in de GWW staan op deze pagina.

Start uitvoering dijkversterking Tiel-Waardenburg
Elektrische wals bij uitvoering dijkversterking Tiel-Waardenburg

De certificering

Een gecertificeerde organisatie voldoet aan het Handboek CO₂-Prestatieladder 3.1, waarin alle eisen staan voor het behalen, implementeren, behouden en verbeteren van het CO₂-managementsysteem. Elke gecertificeerde organisatie wordt jaarlijks ge-audit door een Certificerende Instelling (CI).  De Auditdienst Rijk en een externe certificerende instelling (in 2023 Dekra) toetsen de werkwijze van IenW aan de eisen.

'De CO₂-emissies zijn te verdelen in eigen emissies en ketenemissies'

Scopes

De CO₂-emissies zijn onder te verdelen in verschillende categorieën: de eigen emissies en de ketenemissies. 

Eigen emissies 

De eigen emissies bestaan uit drie scopes: scope 1, 2 en 3. Scope 1 bevat de CO₂-emissies uit de verbranding van brandstoffen, zoals gas om gebouwen te verwarmen of diesel bij het gebruik van schepen. Scope 2-emissies zijn de emissies die ontstaan bij het gebruik van elektriciteit die ingezet wordt voor de eigen organisatie, zoals verlichting op snelwegen of in kantoren. Voor de eigen emissies in scope 3 gaat het alleen over de emissies van zakelijk reizen. Als je bijvoorbeeld je privéauto gebruikt om een dienstreis te maken en de kosten daarvan declareert. 

Door de emissies van deze drie scopes bij elkaar op te tellen, kunnen we onze CO₂-voetafdruk opstellen volgens het GHG Protocol en ISO 14064-1s. De CO₂-voetafdruk van de eigen emissies staat in de samenvatting en op de pagina Energieverbruik en emissies in de eigen organisatie. De berekeningswijze staat beschreven in het CO₂-managementplan '23-'24

Scope 3 van het GHG Protocol bevat ook de CO₂-uitstoot van zakelijk reizen. De CO₂-Prestatieladder wijkt hier van af en deelt zakelijke reizen in binnen de voetafdruk van de eigen emissies (dus bij scope 1 en 2).  

De voor scope 1, 2 en 3 (zakelijk verkeer) gerapporteerde cijfers over eerdere jaren kunnen in sommige gevallen licht afwijken van de vorig jaar gerapporteerde cijfers. Dit heeft te maken met correcties of nieuwe inzichten die pas na de rapportage vorig jaar bekend werden. In het geval van een significante impact (meer dan 5%) duiden we deze wijzingen bij de betreffende berekening. Voor duurzame, Nederlandse groene stroom wordt geen CO₂-uitstoot gerapporteerd. De Europese groene stroom rapporteren we als volledig grijs (stroom uit niet-hernieuwbare energiebronnen). 

Ketenemissies 

De emissies die we via inkoop veroorzaken in de keten noemen we ketenemissies of scope 3-upstream. De CO₂-Prestatieladdersystematiek vraagt om het doelgericht in kaart brengen van de ketenemissies die relevant zijn vanwege hun omvang of de beïnvloedingsmogelijkheid van de organisatie. In het CO₂-Managementplan 2023-2024 staat hoe deze emissies worden bepaald en ze worden ook hieronder toegelicht. De aanpak ten aanzien van het reduceren van de ketenemissies van infrastructuurprojecten is te vinden op de pagina’s Strategie Klimaatneutrale en Circulaire Infrastructuur en Transitiepaden.  

Eigenlijk horen de emissies die veroorzaakt worden door het aanbieden van onze 'diensten’ ook bij de ketenemissies. Dat zijn bijvoorbeeld de emissies van auto’s en schepen, die ontstaan doordat ze gebruikmaken van onze netwerken (‘scope 3-downstream’). Deze emissies worden niet in dit duurzaamheidsverslag geadresseerd, omdat ze onder de beleidsverantwoordelijkheid van IenW  vallen (zie Hoe is dit verslag tot stand gekomen?). 

Tekortkomingen

Eind 2023 werd de jaarlijkse audit uitgevoerd. De externe auditor constateerde de volgende tekortkomingen:

  1. IenW heeft geen brede reductiedoelstelling voor ketenemissies;
  2. IenW heeft niet in- en extern gerapporteerd op de totale scope 3-inventaris;
  3. IenW heeft in 2022 en 2023 niet in- en extern gerapporteerd over de ketendoelstelling Beton.

In februari 2024 leverden we documentatie om deze tekortkomingen te repareren. In maart 2024 heeft de auditor vastgesteld dat de tekortkomingen op de CO₂-Prestatieladder zijn opgelost of aanbevelingen worden. IenW heeft het certificaat weer ontvangen op 20 maart 2024. Voor de volgende audit, in 2024, moeten we de monitoring en de data voor onze CO₂-voetafdruk verbeteren. Ook lukt het ons nog niet om aan de eis te voldoen om een brede doelstelling voor reductie van ketenemissies af te spreken (tekortkoming 1). Dit komt omdat nog uitgezocht moet worden of de CO₂-Prestatieladder akkoord gaat met onze huidige doelstelling voor de Klimaatneutrale en Circulaire Infrastructuur en of scope 3 down moet worden meegenomen. De achtergronden voor de tekortkomingen 2 en 3 lichten we op deze pagina verder toe.

'De emissie-inventaris beschrijft de totale CO₂-voetafdruk van IenW en een rangorde van grote Emissiebronnen'

Emissie-inventaris (tekortkoming 2)

De emissie-inventaris beschrijft de totale CO₂-voetafdruk van IenW en een rangorde van grote Emissiebronnen (materiele emissies). De omvang van de meest materiële emissies in de keten wordt vastgesteld conform het GHG Protocol en de regels van de CO₂-Prestatieladder. Deze emissie-inventaris is al meerdere keren geactualiseerd. Uit de actualisatie in het eerste half jaar van 2023 blijkt dat er geen grote veranderingen zijn in de CO₂-voetafdruk ten opzichte van 2022. Beton en asfalt zijn en blijven de belangrijkste emissiebronnen. Ook uit de actualisatie van het 2e halfjaar van 2023 blijkt dat de CO₂-uitstoot stabiel blijft. De afwijkingen hebben geen impact op de rangorde of conclusies. Een uitgebreide toelichting en onderbouwing is te lezen in het het CO₂-Managementplan 2023-2024 en het addendum daarbij. 

De totale ketenemissies van infrastructuurprojecten worden bepaald door de emissies van alle categorieën die betrekking hebben op de keten voor infrastructuurprojecten bij elkaar op te tellen (Materialen en materieel Grond-, weg- en waterbouw (GWW)). Dit betreft de categorieën Beton, Asfalt, Nat grondverzet, Materieel, Staal, Waterbouwsteen en Funderingsmateriaal, samen 800 kton. Een visuele weergave van de ketenemissies staat in de samenvatting, in het taartdiagram in de infographic. 

Bepaling meest materiële emissies 

In onderstaande tabel zijn de berekende ketenemissies van de GWW uitgelicht: 

Kwantitatieve inventarisatie ketenuitstoot

Kwantitatieve inventarisatie ketenuitstoot
Product-Markt-Combinaties sectoren en activiteiten in de Grond-, weg- en waterbouw (GWW)Omschrijving van de activiteit waarbij CO2 vrijkomtGeschatte omvang (ton CO2)
AsfaltWinning en productiematerieel, end-of-life verwerking147.400
BetonWinning en productiematerieel, end-of-life verwerking95.700
Nat grondverzetEnergiegebruik materiaal (aanleg en transport) voor kustlijnzorg en vaargeulonderhoud152.500
MaterieelEnergiegebruik materiaal (aanleg en transport) voor overige GWW werkzaamheden op land146.200
StaalWinning en productiematerieel, end-of-life verwerking250.063
WaterbouwsteenWinning en productiematerieel, end-of-life verwerking5.400
FunderingsmateriaalWinning en productiematerieel, end-of-life verwerking3.200
totaal800.463
Brontabel als csv (766 bytes)

Uit deze tabel blijkt dat van de ketenemissies die van Staal het grootst is, daarna Nat grondverzet en daarna Asfalt en Materieel. 

Op basis van deze inzichten, de inzichten ten aanzien van het relatieve belang van CO₂-belasting van de sector, en de invloed van de activiteiten en potentiële invloed van IenW op CO₂-uitstoot wordt een rangorde van meest materiele emissies opgesteld. Voor IenW zijn dit de emissies van de materiaalstromen Beton en Asfalt. Voor die 2 categorieën zijn doelstellingen opgesteld (zie hieronder). Dit is dus een focus op het transitiepad Wegverharding (materiaalstroom Asfalt) en het transitiepad Kunstwerken (materiaalstroom Beton). Zie voor meer informatie over deze transitiepaden en de aanpak om daar de emissies te reduceren de pagina Transitiepaden

Aanpak CO₂-reductie voor wegverharding - Ketendoelstelling voor de materiaalstroom asfalt 

In het CO₂-Managementplan 2023-2024 wordt de doelstelling voor de asfaltketen genoemd in hoofdstuk 5.2 (Reductiestrategie ketenuitstoot). Deze luidt: per eenheid (ton) asfalt 40% CO₂-reductie als gemiddelde in alle aanleg- en onderhoudsprojecten van Rijkswaterstaat in 2025, ten opzichte van 2017. 

Om te bepalen of het ons lukt om voor alle aanleg- en onderhoudsprojecten in 2025 gemiddeld 40% CO₂-reductie per ton asfalt te behalen ten opzichte van 2017, kijken we naar de projecten waarbij asfalt ons voornaamste materiaalgebruik vormt. Het liefst willen we weten welke reductie daadwerkelijk is gerealiseerd na afronding van asfaltprojecten, maar we hebben nog niet genoeg informatie om de daadwerkelijke CO₂-reductie te meten. We gebruiken daarom de door de aannemer aangeboden milieukostenindicator-waarde (MKI-waarde) van een project en vergelijken die met de referentie-MKI voor een gelijksoortig (referentie) project. 

Intussen werkt Rijkswaterstaat aan de inrichting van een databeheersysteem waarmee we de cijfers van de aannemers geautomatiseerd kunnen verwerken. In 2024 begon hiervoor de eerste tranche met 17 projecten. In totaal willen we van zo'n 3000 projecten die bij Rijkswaterstaat lopen duurzaamheidsinformatie verzamelen. 

Aangeboden MKI-reductie in 11 asfaltprojecten

Aangeboden MKI-reductie in 11 asfaltprojecten
Project Aangeboden MKI-reductie Berekende CO2 reductie 
Variabel onderhoud aan verhardingen ZN west 30% Geschat minstens zoveel als MKI reductie 
Variabel onderhoud aan verhardingen ZN Zuid-oost 30% Geschat minstens zoveel als MKI reductie 
Knooppunt De Nieuwe Meer 42% Geschat minstens zoveel als MKI reductie 
A2 Vonderen-Kerensheide 42% Geschat minstens zoveel als MKI reductie 
Groot onderhoud A2 HRR 49% Geschat minstens zoveel als MKI reductie 
A27 Houten-Everdingen 60% Geschat minstens zoveel als MKI reductie 
Variabel onderhoud aan verhardingen ZN Midden 61% Geschat minstens zoveel als MKI reductie 
A27 Everdingen-Hooipolder 81% Geschat minstens zoveel als MKI reductie 
Meerjarig onderhoud ZN west Niet beschikbaar Niet beschikbaar 
Meerjarig onderhoud ZN midden Niet beschikbaar Niet beschikbaar 
Meerjarig onderhoud ZN Zuid Oost Niet beschikbaar Niet beschikbaar 
Brontabel als csv (951 bytes)

In de bovenstaande tabel zijn 11 projecten uit 2023 opgenomen waarin voornamelijk asfalt is aangebracht. Voor de projecten geldt dat de aannemer een bepaalde CO₂-reductie verwacht door het nemen van duurzaamheidsmaatregelen. Op basis daarvan wordt door de aannemer een MKI-reductie berekend, welke bij asfaltprojecten grotendeels overeenkomt met de CO₂-reductie. Helaas hebben we de gegevens voor dit jaar nog niet kunnen omzetten naar een berekening van de CO₂-reductie (zie de kolom Berekende CO₂-reductie). Uit de tabel blijkt dat de aangeboden MKI-reductie bij 6 van de 11 projecten een klein beetje lager of ruim boven het doel van 40% reductie ligt. Bij drie projecten is de MKI niet beschikbaar, omdat hier bij de inkoop een andere methode is gehanteerd. Bij twee projecten is de aangeboden MKI-reductie lager dan de doelstelling, namelijk 30%.   

Als we blijven sturen op een lagere MKI-waarde, verwachten we dat het CO₂-reductiedoel van 40% voor 2025 haalbaar is en dat de CO₂-emissies rond asfaltaanleg en -onderhoud lager blijven. 

Door reguliere contractbeheersing, zoals we ook controleren op de financiën en de planning van een project, wordt de aannemer ook gecontroleerd op naleving van de aangeboden MKI. Ook werken we aan de verbetering van het proces van validatie en verificatie van de door de aannemer aangeboden MKI-waarde en daarbij aan de omrekening naar hoeveelheden CO₂-uitstoot per project. 

Milieukostenindicator 

De milieukostenindicator (MKI) is een instrument waarmee de milieueffecten van een activiteit, product of ontwerp kunnen worden bepaald. De MKI-waarde wordt uitgedrukt in euro’s. De indicator is een samengevoegde score over 11 verschillende milieueffecten en omvat dus méér dan alleen CO₂-emissies (bijvoorbeeld ook toxiciteit en verzuring van de bodem). Omdat CO₂-emissie doorgaans de dominante factor is in de MKI bij de materiaalstromen Asfalt en Beton, kunnen we hier wel stellen dat de MKI-reductie indicatief is voor de CO₂-reductie. Een kanttekening hierbij is dat de MKI-waarde nog niet gelijk staat aan de gerealiseerde reductie. 

We kunnen de aangeboden MKI-waarde van verschillende opdrachtnemers vergelijken met onze eigen referentiewaarde en daarmee een voordeel in de aanbesteding geven aan de opdrachtnemers die inzetten op een lage MKI-waarde. Daarmee kunnen we berekenen welke emissiereductie er waarschijnlijk bereikt gaat worden door de genomen duurzame maatregelen, zoals de toepassing van lage-temperatuur asfalt of biobased asfalt. 

Ketendoelstelling voor de materiaalstroom beton (tekortkoming 3)

Het CO₂-Managementplan 2023-2024 noemt de doelstelling voor de betonketen in hoofdstuk 5.2: Reductiestrategie ketenuitstoot. Deze luidt: per eenheid (m3) betonmortel (per betonsterkteklasse) gemiddeld 7,5% CO₂-reductie in 2026 ten opzichte van 2021, binnen alle contracten die na 1 januari 2023 met het RTD1033 zijn aanbesteed. Deze doelstelling heeft IenW op 13 november 2023 vastgesteld. RTD1033 stuurt aan op verlaging van de MKI-waarde en beschrijft plafondwaarden voor betonmengsels van verschillende sterkteklassen, voor prefab geproduceerde betonelementen en prefab liggers. Die waarden dalen iedere 2 jaar met 4% en gelden voor alle marktpartijen. 

Om te bepalen of we deze doelstelling halen, selecteerden we alle projecten waarin beton de voornaamste materiaalsoort was. Voor de periode tot 2024 waren dit 10 projecten in verschillende fasen. Rijkswaterstaat voert momenteel weinig betonprojecten uit, vanwege de beperkingen door de stikstofproblematiek. 

Net als voor asfalt, geldt ook voor beton dat we nog onvoldoende informatie hebben over de CO₂-reductie die is gerealiseerd na afronding van betonprojecten, vergeleken met een regulier (referentie) project. Daarom bekeken we bij de 10 betonprojecten per betonsoort wat de gemiddelde, aangeboden MKI-reductie is. Door dit te vergelijken met de toen geldende eis in het RTD1033 en de referentie MKI-waarde bepalen we welke doelstelling haalbaar is. 

Aangeboden MKI-reductie in betonprojecten

Aangeboden MKI-reductie in betonprojecten
Type betonAantal projectenGemiddelde aangeboden MKI in euro per m3Maximale MKI per m3 betonmortel in euro per m3 (zoals bepaald in RTD1033)Referentie MKI-waarden zonder opslag (database begin 2024)Conclusie
C30 37319,2517,5 (waarde voor 2021-2022)CEM I 32,6 en CEM III 20,4aangeboden MKI hoger dan eis in het RTD, maar lager dan referentie MKI
C60 75*236Niet beschikbaar in RTDGeen referentie MKI beschikbaar (zie voetnoot)aangeboden MKI lager dan vergelijkbare referentie MKI
C12 15115,114,4 (waarde voor 2021-2022)CEM III 17,1aangeboden MKI hoger dan eis in het RTD, maar lager dan referentie MKI
C20 25117,416,5 (waarde voor 2021-2022)CEM I 32,1 en CEM III 19,4aangeboden MKI hoger dan eis in het RTD, maar lager dan referentie MKI
C35 45121,519,3 (waarde voor 2021-2022)CEM I 35,5 en CEM III 22,6aangeboden MKI hoger dan eis in het RTD, maar lager dan referentie MKI

*Het type C60/C75 beton wordt niet vaak toegepast. Daarom is er geen referentie-MKI en geen eis in het RTD beschikbaar. Als we een vergelijking maken met het type C55/C67 beton (iets lichter beton waarmee de eis nog strenger zou zijn), dan komen we uit op de MKI-referentiewaarden CEM I 44,0 en CEM III 35,3. Deze zijn respectievelijk strenger en ongeveer gelijk aan de aangeboden MKI-waarde.

Brontabel als csv (907 bytes)

Let op: In de jaren sinds contractering van deze projecten is de methode om de MKI te bepalen op verschillende momenten en aspecten aangepast. Binnen de projecten is gestuurd om te controleren of het voldoet aan de eisen van het contract, maar projectoverstijgend maakt dit de data op sommige punten onvergelijkbaar en niet optelbaar.

Uit bovenstaande tabel blijkt dat bij 6 projecten de gemiddelde, aangeboden MKI hoger is dan de grenswaarde in het RTD1033. Dit betekent dat de MKI-waarde niet voldoet aan de eis uit de RTD en dus een hogere CO₂-uitstoot heeft dan de eis. Bij de 2 andere projecten (C60/C75) is een relatief hoge MKI aangeboden. In vergelijking met de referentie MKI-waarde (huidige database) zijn de aangeboden MKI-waarden wél lager. Als de MKI lager is, betekent dit een lagere CO₂-uitstoot dan de MKI-referentiewaarde. 

In bovenstaand overzicht staan 8 projecten. Voor 2 andere projecten hebben we geen cijfers in de vorm van een MKI-waarde, maar bepaalden we wel de reductie in CO₂-uitstoot ten opzichte van een referentieproject. Voor 1 project is de CO₂-reductie 5% ten opzichte van een regulier project zonder specifieke duurzaamheidseisen. In een ander project is deze reductie 96%. Voor dat laatste project is het hergebruik van beton vergeleken met het regulier toepassen van nieuw beton. In dit project zijn betonnen liggers uit gesloopte viaducten hergebruikt bij een nieuw viaduct. 

De resultaten laten zien dat de aangeboden MKI (als betrouwbare indicator voor de CO₂-emissie) vrijwel consequent hoger ligt dan de eisen in het RTD1033, maar dat de aannemers een lagere MKI aanbieden dan de referentie-MKI. De resultaten hebben betrekking op projecten die zijn aanbesteed vóór vaststelling van de ketendoelstelling voor de materiaalketen beton. Dit verklaart dat voor de meeste projecten de aangeboden MKI hoger is dan de later geformuleerde doelstelling in het RTD1033. Het RTD1033 is ambitieuzer dan de referentie MKI. 

Met de aangeboden MKI-waarde bieden de aannemers steeds 5 tot 12% lager aan dan de referentie MKI-waarde. Omdat de MKI-reductie indicatief is voor de CO₂-reductie ten opzichte van een referentie, kunnen we concluderen dat de doelstelling van 7,5% ambitieus, maar haalbaar is.